Beleidsregels uitvaart op kosten van de gemeente Hardenberg
Beleidsregels uitvaart op kosten van de gemeente Hardenberg
De burgemeester van Hardenberg respectievelijk het college van burgemeester en wethouders, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;
Gelezen de artikelen 20 tot en met 22 van de Wet op de lijkbezorging;
Gelet op het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
Beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Hardenberg
De opdracht tot uitvaart wordt uiterlijk op de 4e werkdag na de melding van het overlijden het overlijden gegeven.
De Wet op de lijkbezorging bepaalt dat een begrafenis of crematie uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden moet plaatsvinden. Om deze wettelijke termijn te kunnen halen, moet de gemeente binnen korte tijd duidelijkheid hebben over de vraag of nabestaanden de uitvaart verzorgen of dat de gemeente deze taak op zich neemt. Door uiterlijk op de vierde werkdag na melding een besluit te nemen en, indien nodig, opdracht te geven aan een uitvaartverzorger, blijft voldoende tijd over voor de praktische organisatie van de uitvaart.
Als na melding van overlijden niet duidelijk is wie opdracht geeft voor de uitvaart, regelt de gemeente het verplaatsen van de overledene en de eerste verzorging.
Het is ongewenst dat een overledene langdurig op de plaats van overlijden verblijft, zeker bij overlijden in de openbare ruimte of bij hoge temperaturen. Wanneer nog onduidelijk is of nabestaanden de uitvaart zullen regelen, kan de gemeente al wel opdracht geven voor het overbrengen van de overledene naar een mortuarium of uitvaartverzorger en voor de eerste verzorging. Deze handelingen lopen vooruit op, maar staan los van, de uiteindelijke beslissing over wie opdrachtgever wordt voor de volledige uitvaart.
Het onderzoek naar nabestaanden strekt zich niet verder uit dan tot en met de 2e graad van bloedverwantschap.
Bij het opsporen van nabestaanden sluit de gemeente aan bij de erfrechtelijke rangorde zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat onderzoek wordt gedaan naar echtgenoot of geregistreerd partner, kinderen, ouders en (half)broers en -zussen. Gelet op de korte wettelijke termijnen en het karakter van de taak wordt in beginsel geen verdergaand onderzoek naar meer verwijderde familieleden uitgevoerd. In bijzondere situaties kan hier echter van worden afgeweken.
De gemeente verricht zorgvuldige, maar geen bovenmatige inspanningen om nabestaanden op te sporen.
De gemeente handelt zorgvuldig en maakt gebruik van beschikbare bronnen zoals de BRP, gemeentelijke bestanden, politie, maatschappelijk werk, sociale media, het Centraal Testamentenregister en het Verbond van Verzekeraars. Van de gemeente wordt echter niet verwacht dat zij onevenredige of tijdrovende inspanningen levert, bijvoorbeeld wanneer nabestaanden onvindbaar zijn, in het buitenland verblijven zonder adresregistratie of gedetineerd zijn.
De gemeente onderzoekt of er sprake is van een testament.
Door raadpleging van het Centraal Testamentenregister kan worden vastgesteld of de overledene een testament heeft opgemaakt en bij welke notaris dit berust. Hoewel de inhoud van het testament niet wordt verstrekt, kan via deze weg worden achterhaald of er een executeur is benoemd of dat er uitdrukkelijke wensen zijn vastgelegd over de uitvaart. Deze informatie kan van belang zijn voor zowel de wijze van lijkbezorging als het verhaal van kosten.
De gemeente kan een huisbezoek afleggen als er geen opdracht voor de uitvaart is gegeven door nabestaanden.
Wanneer het onderzoek vanaf de werkplek onvoldoende informatie oplevert, kan het noodzakelijk zijn de woning van de overledene te betreden. Dit gebeurt uitsluitend ter uitvoering van de wettelijke taak en met een machtiging van de burgemeester, op grond van de Wet op de lijkbezorging en de Algemene wet op het binnentreden.
De woonruimte van de overledene wordt alleen betreden door twee gemachtigde ambtenaren.
Het betreden van een woning is een ingrijpende handeling. Door dit altijd met twee gemachtigde ambtenaren te doen, worden zorgvuldigheid, transparantie en veiligheid gewaarborgd. Van het huisbezoek wordt een rapportage opgesteld, waarbij bevindingen en eventuele foto’s worden vastgelegd.
De gemeente verzoekt nabestaanden om de uitvaart te regelen.
De Wet op de lijkbezorging gaat ervan uit dat de uitvaart in beginsel een particuliere verantwoordelijkheid is. Wanneer nabestaanden bekend zijn, worden zij daarom actief benaderd met het verzoek de uitvaart te verzorgen. Daarbij wordt gewezen op hun verantwoordelijkheid en, indien relevant, op de mogelijkheid van bijzondere bijstand.
Nabestaanden in detentie of woonachtig buiten de aangrenzende buurlanden worden niet benaderd.
In deze situaties is het niet reëel om van nabestaanden te verwachten dat zij binnen korte tijd de uitvaart kunnen regelen. Om die reden neemt de gemeente in deze gevallen direct zelf de verantwoordelijkheid voor de uitvaart.
De gemeente houdt rekening met de wens van de overledene, voor zover deze tijdig bekend is.
De burgemeester respecteert de wens of vermoedelijke wens van de overledene met betrekking tot begraven, cremeren of ter beschikking stellen aan de wetenschap, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze wens moet wel voldoende concreet en aantoonbaar zijn.
Een uitvaart in opdracht van de gemeente vindt plaats als begrafenis in een algemeen graf.
Begraven in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats is de standaardvorm van lijkbezorging bij een gemeentelijke uitvaart. Dit is kostenefficiënt.
De gemeente kan in afwijking van beleidsregel 11 overgaan tot crematie.
Wanneer aantoonbaar vaststaat dat crematie de wens van de overledene was en er geen wettelijke belemmeringen zijn, kan de burgemeester besluiten tot crematie. Dit vormt een uitzondering op het uitgangspunt van begraven.
Bij een begrafenis van gemeentewege blijft de gemeente rechthebbende van het graf.
Omdat de gemeente opdrachtgever is, blijft zij rechthebbende van het graf. Dit betekent dat er geen grafmonument wordt geplaatst en dat het graf na afloop van de wettelijke grafrust kan worden geruimd.
De gemeente onderzoekt of er sprake is van een uitvaartverzekering.
Indien de overledene een uitvaartverzekering heeft afgesloten, worden de verzekeringsgelden gebruikt om de kosten van de uitvaart geheel of gedeeltelijk te dekken. Dit geldt zowel voor kapitaal- als naturaverzekeringen.
De gemeente hanteert het uitgangspunt van een sobere maar respectvolle uitvaart.
Hoewel de uitvaart sober is ingericht, wordt altijd gezorgd voor een waardige uitvoering, inclusief gelegenheid tot afscheid voor familie en vrienden.
De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om kosten van de uitvaart te verhalen.
Het college heeft de bevoegdheid om de kosten van een gemeentelijke uitvaart te verhalen. Dit draagt bij aan het beperken van de financiële lasten voor de gemeente.
De gemeente verhaalt de kosten van de uitvaart op de nalatenschap.
Uitvaartkosten zijn een preferente schuld van de nalatenschap en worden, indien mogelijk, hierop verhaald.
De gemeente verrekent kosten met nog te betalen gemeentelijke uitkeringen.
Wanneer de gemeente zelf uitkeringsverstrekker is, kunnen nog uit te betalen bedragen worden verrekend met de kosten van de uitvaart.
De gemeente kan kosten verhalen op bloedverwanten tot en met de 2e graad.
Indien de nalatenschap onvoldoende is, kan de gemeente de resterende kosten verhalen op directe bloedverwanten.
De gemeente ziet af van verhaal indien dit een ernstige inbreuk op de levenssfeer oplevert.
In uitzonderlijke situaties kan worden besloten af te zien van kostenverhaal, bijvoorbeeld wanneer dit onevenredig belastend is voor nabestaanden.