Beleidsregels Jeugdhulp Gemeente Hardenberg 2026
Beleidsregels Jeugdhulp Gemeente Hardenberg 2026
Deze beleidsregels zijn op 11 november 2025 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en treden in werking op 1 januari 2026.
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
- 1.1
- 1.2
Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp
- 2.1
- 2.2
Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
- 3.1
- 3.2
- 3.3
- 3.4
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag: onderzoek en besluitvorming
- 4.1
- 4.2
- 4.3
- 4.4
- 4.5
- 4.6
- 4.7
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)
- 5.1
- 5.2
- 5.3
- 5.4
- 5.5
- 5.6
- 5.7
- 5.8
Hoofdstuk 6: Wijziging of beëindiging individuele voorziening
- 6.1
- 6.2
- 7.1
- 7.2
- 7.3
De gemeente Hardenberg vindt het belangrijk dat kinderen en jongeren veilig, gezond en kansrijk kunnen opgroeien. Wanneer opgroeien en/of opvoeden zodanig voor problemen zorgt in de zelfredzaamheid, veilig op te kunnen groeien of een jeugdige vast loopt zonder hier met het netwerk uit te komen heeft de gemeente Hardenberg een medeverantwoordelijkheid om passende hulp en ondersteuning te bieden. Deze beleidsregels geven richting aan de manier waarop de gemeente Hardenberg invulling geeft aan de uitvoering van de Jeugdwet. Ze vormen het kader waarbinnen jeugdhulp wordt aangeboden en maken inzichtelijk wat jeugdigen en ouders van de gemeente mogen verwachten en wat er van hen wordt gevraagd.
Jeugdhulp vanuit de Jeugdwet kent de volgende definitie:
- 1.
Ondersteuning van, en hulp en zorg (niet zijnde preventie) aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van ouders.
- 2.
- 3.
Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychische aandoening of beperking, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van 18 jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.
De jeugdhulp moet effectief zijn en leiden tot het in de Jeugdwet beschreven resultaat. Dit dient in samenhang te gebeuren met andere sociale domeinen zoals de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Participatiewet en de wet passend onderwijs. Jeugdhulp maakt dat een gezin weer zelfstandig verder kan. Dat wil zeggen dat in het gezin de problemen rondom de ontwikkeling van een jeugdige kleiner zijn geworden. Jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de gemeente door vast te stellen of de individuele voorziening jeugdhulp wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er (waar dat mogelijk is) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie vanuit de databank effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Een individuele voorziening jeugdhulp is aan de orde als tijdens het gesprek blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouders in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen of beperkingen, niet op eigen kracht, met hulp van andere personen uit de sociale omgeving, of met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen voldoende zelfredzaam of veilig zijn. De beleidsregels Jeugdhulp 2026 zijn een concretisering van de visie van het Hardenbergse Model voor ondersteuning, met als uitgangspunt ‘normaliseren waar het kan, specialiseren waar het moet’. Alle definities die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht (AWB) en de Verordening jeugdhulp.
De beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de verordening jeugdhulp. Met deze beleidsregels geven wij duidelijkheid over de toegang tot jeugdhulp, de vormen van ondersteuning die beschikbaar zijn en de manier waarop aanvragen worden behandeld. Ook worden de rollen en verantwoordelijkheden van inwoners, professionals en samenwerkingspartners beschreven. Dit document is bedoeld voor alle betrokkenen binnen het jeugdhulpdomein en draagt bij aan transparantie, eenduidigheid en een gezamenlijke aanpak. In dit document worden de termen ‘jeugdigen en ouders’ gebruikt. Waar van toepassing, kunnen hiermee ook hun wettelijke vertegenwoordigers worden bedoeld.
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
1.1 Het Hardenbergse Model voor ondersteuning
Sinds 2022 werkt de gemeente Hardenberg met het Hardenbergse Model voor Ondersteuning. Dit model gaat uit van de gedachte dat ondersteuning het beste werkt als die dichtbij de inwoner wordt gegeven – thuis, op school, op het werk of in de buurt. Inwoners worden gestimuleerd om zelf de regie te houden over hun leven. De ondersteuning sluit aan bij hun persoonlijke situatie en leefomgeving.
De uitgangspunten uit het Hardenbergse Model vormen de basis voor deze beleidsregels. Ze geven richting aan de doorontwikkeling van ondersteuning binnen de Wmo en de Jeugdwet, met als doel: een gezonde, veilige en betekenisvolle samenleving voor iedereen in de gemeente Hardenberg.
De pijlers van het Hardenbergse model zijn:
- •
- •
- •
De gemeente werkt samen met aanbieders en partners in het voorliggende veld. Samen versterken we voorzieningen die preventief en voor iedereen toegankelijk zijn. Dit draagt bij aan een stevige sociale basis waarin inwoners elkaar kunnen ondersteunen en sneller passende hulp kunnen krijgen. De beleidsregels voor Jeugd zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Vanuit de visie positieve gezondheid wordt uitgegaan van wat mensen wél kunnen, met minder nadruk op beperkingen of problemen. Gezondheid wordt breed benaderd: naast medische zorg is er aandacht voor zingeving, mentale veerkracht, sociale relaties en participatie. Dit vertaalt zich in welzijnsactiviteiten, ondersteuning bij zingeving, mentale gezondheid, leefomgeving en zelfregie.
Niet elke kwetsbaarheid vraagt om professionele hulp. Ondersteuning wordt zoveel mogelijk geboden in de eigen leefomgeving via het sociale netwerk of algemene voorzieningen. Doel is herstel van het gewone leven. Specialistische, individuele ondersteuning wordt alleen ingezet als dat echt nodig is.
De ondersteuning is flexibel, kortdurend en afgestemd op de leefwereld van de inwoner. Er wordt integraal gewerkt, met oog voor werk, onderwijs en participatie als belangrijke vormen van dag invulling.
Professionals krijgen vertrouwen en ruimte om maatwerk te leveren. Ze werken samen in teams, waarin ze elkaar kunnen versterken en eenvoudige werkprocessen het uitgangspunt zijn. Zo kunnen inwoners sneller en beter geholpen worden.
Jeugdigen en/of ouders kunnen een hulpvraag melden bij het sociaal wijkteam. Samen Doen Hardenberg BV is de organisatie die als sociaal wijkteam het college adviseert over de toegang tot Wmo en Jeugdhulp en integrale ondersteuning biedt aan de inwoners. Samen Doen helpt inwoners met vragen over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid.
Medewerkers van Samen Doen worden consulenten genoemd. Samen met hen zoeken wij naar passende oplossingen. Ze kijken daarbij naar wat de jeugdige en het gezin zelf kan, met hulp van het eigen netwerk. Ook geven zij informatie en advies over hulp in de omgeving. Als er sprake is van complexe problematiek, vervullen zij, wanneer nodig, de rol van casusregisseur, organiseren zij een multidisciplinair overleg en bewaken ze de afstemming en voortgang. De consulenten hebben kennis van wet- en regelgeving en kennen de sociale basis/de algemene (voorliggende) voorzieningen in Hardenberg.
Om de ondersteuning in de buurt en dicht bij de inwoner(s) van de gemeente Hardenberg te organiseren, heeft Samen Doen vier gebiedsteams; noord, west, zuid, kern en een flexteam. Deze gebiedsteams hebben iedere week één of meerdere vrije inloopspreekuren, of zijn lokaal aangesloten bij het infohuis. Ook zijn er jeugdconsulenten verbonden aan de huisartsen.
Samen Doen is bereikbaar via de e-mail en/of website van de gemeente (via het meldingsformulier). Daarnaast zijn zij telefonisch bereikbaar en is het mogelijk om in overleg met de consulenten van Samen Doen een afspraak te plannen op een ander tijdstip dan de inloopuren.
Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp
2.1 Toegang algemene voorziening
Een deel van de hulpvragen kan beantwoord worden met een algemene voorliggende voorziening. Deze voorzieningen zijn gericht op jeugdhulp en zijn beschikbaar voor alle jeugdigen en/of ouders. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een beschikking nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de beschikbare voorziening wenden. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
Sommigen van deze voorzieningen kennen een lichte screening bijvoorbeeld op doelgroep. Deze voorzieningen hebben een preventief karakter en kunnen in veel gevallen een voorliggende voorziening zijn op intensievere jeugdhulp. Dit betekent dat, wanneer de algemene voorziening een redelijke oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s), er in eerste instantie gebruik van gemaakt moet worden, voordat er over wordt gegaan naar de verstrekking van een individuele voorziening.
Het college kan nadere regels stellen over de reikwijdte en het gebruik van algemene voorzieningen.
2.2 Individuele jeugdhulpvoorzieningen
Een individuele voorziening in de jeugdhulp is (tijdelijke) hulp of ondersteuning die is afgestemd op de behoeften van een jeugdige en zijn of haar gezin, dit noemen we maatwerk. Deze voorzieningen worden ingezet wanneer algemene of andere voorliggende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs) niet voldoende zijn om de benodigde ondersteuning te bieden. Een individuele voorziening wordt alleen toegekend indien:
- a.
- b.
De ‘goedkoopst adequate’ oplossing geldt als norm voor de te verstrekken voorziening jeugdhulp. Indien er meerdere geschikte zorgaanbieders zijn die allemaal een passende ondersteuning voor een jeugdige kunnen leveren, wordt (indien de jeugdige en/of ouders geen voorkeur hebben) de goedkoopste van deze geschikte aanbieders ingezet. Adequaat houdt in dat de jeugdhulp haar doel moet bereiken op het gebied van ontwikkeling en zelfredzaamheid en past binnen een systeembenadering. Uitgangspunt hierbij is een (in de praktijk) bewezen effectieve methode die wordt aangeboden door een gekwalificeerde zorgaanbieder. Er is sprake van een bewezen effectieve methodiek als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in de database van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI).
2.2.1 Begeleiding en dagbesteding
Begeleiding en/of dagbesteding voor jeugdigen, omvat hulp in verschillende situaties, zoals thuis, op school of op locatie. Het doel is om problemen zoals psychische, somatische, gedrags- en opvoedingsproblemen te verminderen of ermee om te (leren) gaan. Daarnaast helpt het bij het bevorderen van maatschappelijke deelname en zelfredzaamheid van de jeugdige.
2.2.2 Ambulante jeugd- en opvoedhulp
Ambulante jeugd- en opvoedhulp biedt ondersteuning, behandeling en begeleiding bij opvoeden en opgroeien, variërend van lichte tot intensieve hulp. Het richt zich op het behandelen van dagelijkse problemen zoals gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Deze hulp omvat onder andere gezinsbegeleiding, orthopedagogische behandeling, video home training en scheidingshulpverlening.
Dagbehandeling is een groepsverblijf zonder overnachting voor jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen. Het biedt behandeling en begeleiding aan jeugdigen tot 18 jaar die tijdelijk niet kunnen deelnemen aan regulier onderwijs of kinderopvang. Het doel is om hen te ondersteunen bij dagelijkse activiteiten en hun problemen aan te pakken.
Jeugd GGZ is primair gericht op het behandelen van psychische en psychiatrische stoornissen met als doel het voorkómen of beperken van stagnatie in de ontwikkeling en de gevolgen daarvan voor het dagelijks functioneren.
2.2.5 Voorzieningen voor vervoer
Jeugdwet vervoer is het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het gaat hierbij alleen om jeugdhulp en niet om vervoer van en naar onderwijs. Jeugdhulpvervoer wordt geboden als er sprake is van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Het vervoer heeft betrekking op de volgende voorzieningen op het gebied van jeugdhulp:
- •
- •
- •
- •
De afwegingen van het toekennen van een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van vervoer wordt via dezelfde route gedaan als de andere individuele jeugdhulpvoorzieningen. Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de stappen zoals beschreven in bijlage 2. Daarnaast maken de consulenten bij de afweging gebruik van de STOMT-principe uit de visie leerlingen vervoer (Zie bijlage 1).
Ouders hebben zelf de plicht om jeugdigen te brengen en op te halen van en naar een jeugdhulplocatie. Vervoer en begeleiding naar de locatie van jeugdhulp is gebruikelijke zorg (conform bijlage 3 SVB), tenzij de noodzaak tot begeleiding voortvloeit uit de beperking of problematiek van het kind. We kijken eerst naar wat er in eigen kracht kan worden opgelost. De gemeente kan na onderzoek besluiten om vervoer te vergoeden.
Verwijzers zoals huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten en verwijzers vanuit het gedwongen kader kunnen de behoefte aan vervoer signaleren wanneer zij verwijzen naar jeugdhulp, maar zij zijn niet bevoegd om vervoer op grond van de Jeugdwet toe te kennen. Indien een verwijzer inschat dat vervoer noodzakelijk kan zijn om de hulp te bereiken, verwijst deze naar de toegang van de gemeente.
2.2.6 Voorzieningen in het onderwijs
Scholen hebben een zorgplicht en zij bieden Passend Onderwijs. Zij zijn verantwoordelijk om voor elke leerling een goede onderwijsplek te bieden. Per leerling wordt gekeken waar en hoe een passend onderwijsaanbod het beste kan worden gerealiseerd. Op welke wijze deze extra ondersteuning wordt ingezet, is afhankelijk van de visie van de school /schoolbestuur. Het kan ook zijn dat het best passende onderwijsaanbod voor de leerling op een andere basisschool of een school voor speciaal (basis)onderwijs is. Passend Onderwijs heeft betrekking op het onderwijs en de ondersteuning die aan leerlingen wordt geboden zodat zij het onderwijs beter kunnen doorlopen.
Onderwijsondersteuning is gericht op het volgen van onderwijs en de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Heeft de jeugdige naast onderwijs aanvullende ondersteuning, (ver)zorg(ing) of begeleiding nodig om tot ontwikkeling/leren te komen, dan kan de gemeente hierin meedenken. Gedrag van een leerling kan het contact met andere leerlingen bemoeilijken met leerproblemen als gevolg. Is het doel van de extra ondersteuning primair gericht op het leerproces. Dan valt de ondersteuning onder de zorgplicht van de school (artikel 8 lid 4 Wet op het primaire onderwijs, artikel 2.41 lid 1 Wet voortgezet onderwijs 2020) Ook onderzoek naar oorzaken van leerproblemen door een orthopedagoog op psycholoog en/of begeleiding bij leerproblemen door een externe deskundige vallen onder deze zorgplicht. Wanneer de leerling in het algemeen problemen rondom opgroeien en de opvoeding of psychische problemen ervaart, dus ook buiten de school/buiten schooltijd en de school niet meer in staat is om een passende onderwijssituatie te creëren, doen zij met toestemming van ouders een melding bij het samenwerkingsverband waar de school onder valt. Daar zal in samenwerking met betrokken partijen, waaronder de gemeente gekeken wordt welke aanvullende vorm van ondersteuning kan worden ingezet. Het is mogelijk dat zowel school als gemeente deels verantwoordelijk zijn. In dat geval is het van belang dat de school en de gemeente overleggen over afstemming van de door hen geboden begeleiding. De gemeente bepaald over de mogelijke inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening. Het samenwerkingsverband legt de algemene samenwerkingsafspraken tussen onderwijs en gemeente vast in hun onderwijsperspectiefplan.
Er is sprake van Wonen, Verblijf of Kortdurend verblijf als de jeugdige (deels) niet thuis slaapt in het eigen gezin. Dit betekent dat het hier gaat om de woon- en verblijfsvormen, waarbij er sprake is van een overnachting. In de regio wordt er onderscheid gemaakt tussen Wonen, Verblijf en Kortdurend verblijf.
Bij wonen ligt het accent op gezond en veilig opvoeden, opgroeien en ontwikkelen: het gewone leven.
Onder verblijf vallen alle vormen waar een jeugdige voor een korte periode verblijft. Daarbij ligt het accent op de tijdelijkheid en het gericht zijn op herstel.
Bij Kortdurend verblijf ligt de focus op het voorkomen van een uithuisplaatsing en/ of ter ontlasting van een overbelaste thuissituatie. Hieronder vallen logeerhuizen, alleen tijdens weekenden of juist door de week.
Voor het vaststellen van dyslexie en de bijbehorende behandeling wordt aangesloten op het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling - versie 3.0. Als de diagnose Ernstige Dyslexie wordt gesteld volgens de werkwijze die in dit protocol is beschreven, wordt behandeling ingezet wanneer dit naar aanleiding van de diagnostiek wordt geadviseerd.
Voor diagnostiek en behandeling van kinderen in de basisschoolleeftijd (7 tot en met 13 jaar) met zeer ernstige leesproblemen wordt de zorg gefinancierd door de gemeente, vanuit de Jeugdwet.
Er is een gemeentelijk poortwachter dyslexie werkzaam in de gemeente. De gemeentelijk poortwachter beoordeelt op grond van het dossier of een leerling in aanmerking komt voor doorverwijzing voor diagnostiek naar een gecontracteerde aanbieder. De gemeentelijk poortwachter beoordeelt de volledigheid van het dossier en de onderbouwing van het niveau van het lezen in relatie tot de ontwikkelingsleeftijd van de leerling. Daarnaast heeft de gemeentelijk poortwachter als taak om op basis van de beleidsdoelstellingen de verbinding en samenwerking tussen het onderwijs- en het zorgveld te bevorderen. De gemeentelijk poortwachter heeft contact met scholen en stimuleert het signaleren van het vermoeden van dyslexie, zodat tijdig extra ondersteuning of zorg gegeven kan worden.
Diagnosestelling en behandeling van dyscalculie komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
De Jeugdwet bepaalt onder meer dat het college verantwoordelijk is om jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare manier aan te bieden. Deze jeugdhulp moet te allen tijde bereikbaar en beschikbaar zijn in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden (bijvoorbeeld bij een crisis of acute onveiligheid).
Daarvoor moet het college zorgen voor een deskundige toegang en een goede advisering over het inzetten van jeugdhulpvoorzieningen. Op die manier wordt de jeugdige, rekening houdend met zijn of haar leeftijd en ontwikkelingsniveau, in staat gesteld om:
- •
- •
- •
De toegang tot jeugdhulp verloopt via Samen Doen, de huisarts/medisch specialist/(jeugd)arts of via gecertificeerde instellingen en de kinderrechter.
Omdat de Jeugdwet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De jeugdige en/of zijn ouder(s) met een hulpvraag kunnen zich melden bij het college. De melding van een hulpvraag bij het college is het startpunt van een onderzoek zoals bedoeld in de Jeugdwet (art. 2.3). Het ondertekende onderzoeksverslag kan als aanvraag voor een individuele voorziening worden ingediend volgens de regels van de Awb. Volgens de Awb is een aanvraag elk verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen over de inzet van jeugdhulp.
Bij het verwerken van aanvragen voor individuele jeugdhulp voorzieningen worden de landelijke en regionale administratie protocollen gevolgd.
3.2 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een jeugdige en/of zijn ouder(s) met een hulpvraag kan zich melden bij Samen Doen. Bij Samen Doen kan de hulpvraag (digitaal) gesteld worden:
- •
- •
- •
Een aanvraag voor een individuele voorziening dient altijd (digitaal) ondertekend te zijn door één belanghebbende.
Belanghebbenden bij een jeugdhulpaanvraag zijn, totdat de jeugdige 16 jaar is:
- •
- •
- •
- •
Vanaf zijn/haar 16e, is alleen de jeugdige belanghebbende. Dit kan in specifieke situaties anders zijn. Bijvoorbeeld als er sprake is van een wettelijke mentor of gemachtigde.
Samen Doen voert op basis van het contactformulier of n.a.v. het inloopspreekuur een gesprek. Het ondertekende verslag van het gesprek geldt indien er nog geen officiële aanvraag is gedaan als aanvraag voor een individuele voorziening.
De gemeente vindt het zien en actief betrekken van jeugdigen essentieel, ook onder de twaalf jaar. Volgens de Jeugdwet is het belangrijk om de jeugdige zelf te zien en spreken bij het bepalen van de juiste hulp en ondersteuning. De mening van de jeugdige dient de gemeente mee te nemen in de besluitvorming over jeugdhulp. Dit is tevens nodig om tot een zo volledig mogelijke verkenning van de hulpvraag te komen. Tot slot zorgt dit ervoor dat jeugdigen achter het uiteindelijke plan en de aan te vragen voorziening jeugdhulp staan. De gemeente hanteert het uitgangspunt “we spreken altijd de jeugdige zelf, tenzij…” en dit wordt zo concreet mogelijk vastgelegd.
3.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medische specialist of jeugdarts en vanuit het gedwongen kader
De gemeente draagt de financiële zorg voor de inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist, de jeugdarts en vanuit het gedwongen kader. De jeugdhulpaanbieder informeert de gemeente via ’verzoek om toewijzing’ over de verwijzing. Via de huisartsen en medisch specialisten en vanuit het gedwongen kader kan geen pgb verstrekt worden. Deze kan door belanghebbende wel aangevraagd worden bij Samen Doen (zoals beschreven in hoofdstuk 5). De gemeente informeert de (huis)artsen en verwijzers vanuit het gedwongen kader over de ingekochte jeugdhulpvoorzieningen en maakt afspraken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. In de regel vindt er afstemming plaats met de consulent externe verwijzers van Samen Doen, zodat gezamenlijk de best passend hulp kan worden gezocht. De gemeente vergoedt alleen gecontracteerde jeugdhulpvoorzieningen, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming geeft vanwege specifieke omstandigheden.
Soms is er sprake van crisis of spoed. In dit geval kan er van de gebruikelijke procedures afgeweken worden. Criteria hiervoor zijn:
- a.
- b.
- c.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. De beslissing omtrent inzet van hulp dient zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp worden vastgelegd in een beschikking.
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag; onderzoek en besluitvorming
4.1 Aanvraag, onderzoek en besluitvorming
Een aanvraag voor jeugdhulp kan door of namens de jeugdige of diens ouder(s) worden ingediend bij het college. Een aanvraag kan zowel schriftelijk, digitaal als mondeling worden gedaan. Wanneer een jeugdige of ouder(s) zich melden met een hulpvraag, wordt dit in eerste instantie beschouwd als een melding in de zin van artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Op basis van deze melding start het college een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte.
Het onderzoek start met een of meer gesprekken met de jeugdige en/of diens ouder(s). Deze gesprekken worden gevoerd door een consulent van Samen Doen, waarbij het uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouders gedurende het hele proces één vaste contactpersoon hebben.
De gemeente hanteert hierbij een systeemgerichte benadering. Het gesprek vindt meestal plaats in de vorm van een brede, gezinsgerichte intake, waarbij ook de situatie van de ouders in relatie tot de jeugdige belangrijk is.
Tijdens het gesprek worden alle relevante levensgebieden besproken. Samen met de jeugdige en/of ouders wordt onderzocht welke factoren bijdragen aan het ontstaan, in stand houden, toenemen of juist verminderen van de problemen. Bij de beoordeling van een hulpvraag onderzoekt het college in hoeverre de ouders in staat zijn om hun kind adequaat op te voeden en te ondersteunen. Dit onderzoek richt zich op de uitvoering van de ouderlijke zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet.
Het college beoordeelt of de ouders over voldoende vaardigheden en mogelijkheden beschikken om de problemen van hun kind het hoofd te bieden. Indien blijkt dat ouders (tijdelijk) onvoldoende in staat zijn om de noodzakelijke zorg of ondersteuning te bieden — bijvoorbeeld omdat het kind extra zorg behoeft of omdat de ouders zelf te maken hebben met belemmeringen — kan het college passende jeugdhulp of ondersteuning inzetten.
Deze hulp is gericht op het versterken van de eigen kracht en opvoedingsvaardigheden van ouders, zodat zij (weer) zelfstandig in staat zijn de opvoeding en verzorging van hun kind op zich te nemen.
Er wordt ook gekeken naar de rechtmatigheid van de aanvraag, waaronder de identiteit van betrokkenen, de gezagspositie van ouders of verzorgers en of de gemeente verantwoordelijk is.
De gemeente voert dit onderzoek uit volgens het stappenplan zoals geformuleerd door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).Met de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt op basis van onderstaand stappenplan het volgende in kaart gebracht:
- 1.
Vaststellen wat de hulpvraag is.
Het onderzoek start door vast te stellen wat de hulpvraag van de jeugdig of ouders is. Dit is het uitgangspunt van het onderzoek. Wat denken ouders en de jeugdige nodig te hebben? Waarom? Wat gaat goed en wat lukt niet meer? Er wordt voldoende informatie verzameld over de feiten en omstandigheden om goed te begrijpen wat er speelt. De hulpvraag is niet leidend voor het verdere onderzoek. Het kan zijn dat na onderzoek blijkt dat andere hulpverlening dan dat wat jeugdige en of ouders vragen, meer passend is. Het kan ook zijn dat meer of minder ondersteuning nodig is dan waar om gevraagd wordt door jeugdige en of ouders.
- 2.
Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zoals bedoeld in de jeugdwet. En zo ja, om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Deze problematiek moet concreet worden vastgesteld. Samen Doen beoordeelt of het college verantwoordelijk is op basis van het woonplaatsbeginsel (artikel1.1. Jeugdwet).
- 3.
Bepalen welke ondersteuning nodig is.
Welke hulp naar aard en omvang is er nodig om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
Met het bepalen welke jeugdhulp nodig is moet rekening worden gehouden met:
- a.
- b.
- c.
- d.
- 4.
Onderzoek naar eigen mogelijkheden en hulp uit het netwerk
Zijn de jeugdige en/of zijn ouders zelf (deels) in staat zijn om zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociaal netwerk of gebruik kunnen maken van een andere- of algemene voorziening:
• Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Zie hiervoor ook hoofdstuk 4.3 van deze beleidsregels.
• Onderzoek of er aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening. Als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en ouders/en of sociaal netwerk kunnen hierin niet voorzien dan moet worden onderzocht of de jeugdige aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.
De volgende voorzieningen zijn voorliggend op een voorziening uit de jeugdwet
• Recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg
• Recht op zorg op de grond van de Wet passend onderwijs
• Recht op zorg op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
• Recht op zorg op grond van de zorgverzekeringswet. De aanvullende verzekering is geen wettelijk voorliggende voorziening. In het kader van eigenkracht wordt wel verwacht dat ouders/jeugdigen gebruik maken van een aanvullende verzekering als deze is afgesloten.
• Voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet dan wel aantonen dat er sprake is van een voorliggende voorziening
- 5.
Het onderzoek wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan. In een ondersteuningsplan wordt de hulpvraag en de mogelijke passende ondersteuning beschreven. Het ondersteuningsplan is de basis waarop de gemeente Hardenberg een besluit kan nemen op deze aanvraag. Op het moment dat het ondersteuningsplan ondertekend bij Samen Doen wordt ingediend/ingeleverd, sturen zij dit plan door naar de backoffice jeugd van de gemeente zodat deze een besluit kan nemen op de aanvraag.
De jeugdige en of ouders krijgen 2 weken de tijd om het ondersteuningsplan te tekenen voor akkoord of niet akkoord en terug te sturen naar Samen Doen. Daarna zal een besluit worden genomen.
Wanneer er nog geen officiële aanvraag is ingediend en de termijn van 2 weken om te reageren op het ondersteuningsplan is verstreken zonder ondertekening door jeugdige en/of ouders, dan wordt de aanvraag niet doorgezet naar de gemeente.
4.2 Inroepen van deskundigheid
Bij iedere stap van het onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat de juiste deskundigheid wordt ingezet om de stap goed af te ronden. Als er specialistische kennis nodig is, moet Samen Doen een externe deskundige inschakelen (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Het inroepen van deskundigheid tijdens het onderzoek kan bestaan uit het consulteren van een deskundige en/of het organiseren van een of meerdere gesprekken van en/of met de deskundige samen met de jeugdige of zijn ouders. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt.
In sommige gevallen kan nog nader advies worden gevraagd aan een adviesinstantie voor sociaal/medisch advies. Samen Doen verstrekt aan de jeugdige en/of ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
Om jeugdhulp te kunnen krijgen, moet de jeugdige en zijn ouders de nodige medewerking verlenen. Het gaat dan om medewerking aan het onderzoek, zodat het college kan beoordelen welke jeugdhulp nodig is. Dit is een algemene medewerkingsplicht. Als het noodzakelijk is voor het onderzoek om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is, kunnen allerlei vormen van medewerking worden verwacht. Van jeugdigen en ouders kan bijvoorbeeld worden verwacht dat zij:
- •
- •
- •
- •
- •
Van de jeugdige en ouders mag dus worden verwacht dat zij toestemming geven tot inzicht in hun gezinsleven voor zover sprake is van informatie die nodig is voor het nemen van een beslissing op de aanvraag.
Als de jeugdige en/of ouder(s) onvoldoende meewerken, beoordeelt het college de aanvraag op grond van de informatie die wel aanwezig is. Het kan zijn dat door het ontbreken van informatie niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een noodzaak tot jeugdhulp. In dat geval wijst het college de aanvraag af. Het kan ook zijn dat op grond van de aanwezige informatie geoordeeld wordt dat een andere vorm van jeugdhulp nodig is dan die de jeugdige/ouders hebben gevraagd. In dat geval kent het college alleen die vorm van jeugdhulp toe en wijst de gevraagde jeugdhulp af. Het college zal, voordat er tot afwijzing wordt overgaan, voldoende concreet maken welke medewerking en/of informatie noodzakelijk is om vast te kunnen stellen welke jeugdhulp nodig is en biedt de ouders een redelijke hersteltermijn om alsnog de benodigde informatie te verstrekken en/of medewerking te verlenen.
Voor het delen van informatie door andere instanties aan Samen Doen, verstrekt Samen Doen een toestemmingsformulier dat de ouders of jeugdige kunnen ondertekenen. Hierin staat welke informatie wordt gedeeld en voor welk doel. Het moet voor de ouders of jeugdige duidelijk zijn waarvoor zij toestemming geven. In het kader van hun medewerkingsplicht wordt van de ouders en de jeugdige verwacht dat zij deze toestemming geven.
4.4 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zich melden met een hulpvraag over het gezond en veilig opgroeien van een jeugdige, wordt vastgesteld of bij de hulpvraag sprake is van, op basis van leeftijd van de jeugdige, gebruikelijke of boven gebruikelijke hulp. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de CIZ indicatiewijzer 3.0 (zie bijlage 3). Wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp heeft de jeugdige geen recht op een individuele voorziening vanuit de jeugdwet, wel kan er dan gekeken worden naar andere (voorliggende) voorzieningen of ondersteuning vanuit andere wetgeving.
In elke individuele situatie wordt op basis van de hulpvraag een zorgvuldige afweging gemaakt of er sprake is van voldoende eigen kracht bij bovengebruikelijke hulp. Hierbij wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders.
Om te beoordelen of ouders de hulp zelf kunnen bieden, onderzoekt het college in ieder geval de volgende vragen:
- 1.
- 2.
- 3.
Als uit onderzoek naar bovenstaande vragen volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan het college concluderen dat er sprake is van voldoende eigen kracht.
Bovengenoemde vragen zijn niet leidend, maar helpend bij het vaststellen van eigen kracht. Het is van belang dat alle omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders, die invloed kunnen hebben op de hulpvraag, worden gewogen (zie CRvB 17-07-2019, ECLI:NL: CRVB:2019:2362). Uitzondering hierop is de financiële draagkracht. Daar hoeft geen beoordeling op plaats te vinden (zie CRvB 26-05-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327).
Permanent toezicht (vanaf de leeftijd dat dat niet meer gebruikelijk is) - niet beoordeeld als intensieve kindzorg vanuit de Wlz, Zvw of anderszins - gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen, valt niet onder eigen kracht. Verder wordt als de jeugdige van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van de ouder(s), geen bijdrage van de ouder(s) verwacht. Daarbij heeft het college oog voor een mogelijke aanspraak op intensieve kindzorg op grond van de Zorg-verzekeringswet of toegang tot de Wlz.
Bij (dreigende) overbelasting van de ouder(s) moet dat aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. In dat geval rust er op het college de plicht daar een onderzoek naar in te stellen. De ouder(s) is dan verplicht, desgevraagd, zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert de ouder(s) dit, dan kan het recht op een individuele voorziening niet worden vastgesteld. Het college zal bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting in voorkomende gevallen rekening houden met de omstandigheid dat de ouder(s) zorg/hulp bieden in het kader van andere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of het overnemen van huishoudelijke taken op grond van de Wmo.
4.5 Afstemming met andere voorzieningen
Het college stemt ondersteuning af tussen verschillende wettelijke kaders wanneer één kader niet genoeg is. Het college kijkt naar de behoeften van de jeugdige en zijn ouders, de mogelijkheden van hun sociale netwerk, de volgorde en kosten van hulp, en ondersteunt waar nodig richting langdurige zorg. Bij weigering van samenwerking is het college niet verplicht om hulp te bieden. Ook zorgt het college voor een soepele overgang naar volwassenenzorg.
De inwoner kan zich voor en tijdens een onderzoek bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de inwoner te behartigen. Inwoners worden bij het contact met Samen Doen op de mogelijkheid gewezen om zich gratis te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. De inwoner kan uiteraard ook zelf zijn ondersteuning regelen met bijvoorbeeld mensen uit de directe omgeving, mantelzorgers, vertegenwoordigers of vrijwilligers. Dit noemen we informele cliëntondersteuning.
Na het onderzoek wordt het besluit van het college vastgelegd in een beschikking. De jeugdige en/of ouders ontvangen de beschikking binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. In de beschikking staat: de aanvraagdatum; de beslissing; de motivering van de beslissing en informatie over de uitvoering van het besluit.
De beslistermijn kan eenmalig worden verlengd met een redelijke termijn van maximaal 8 weken. Daarna kan de beslistermijn verlengd in uitzonderlijke gevallen allen worden verlengd in overleg met de aanvrager. In afwachting van aanvullende informatie die nodig is om op de aanvraag te beslissen kan de beslistermijn worden opschort. De jeugdige en/of ouders krijgen hiervan altijd schriftelijk bericht, waarin is aangegeven met welke termijn de beslistermijn is verlengd of opgeschort.
4.7.1 Beëindiging of verlenging beschikking voorziening jeugdhulp
De jeugdige en/of ouders nemen acht weken voor de beoogde beëindiging van de jeugdhulp contact op met Samen Doen en eventueel met de zorgaanbieder om te bespreken of verlenging van de ingezette hulp nodig is. Een contactpersoon van Samen Doen zal in overleg met de jeugdige en/of ouders, zorgaanbieder en eventuele andere betrokkenen een onderzoek doen met betrekking tot de noodzaak tot verlenging van de hulp. De gemeente neemt een besluit op basis van de inhoudelijke beoordeling die gericht is op de vooraf opgestelde gewenste resultaten. Indien de jeugdhulp voortgezet moet worden, zal een nieuwe beschikking aan de ouder en/of jeugdige en aan de zorgaanbieder verzonden worden.
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)
Een pgb is een geldbedrag waarmee de aanvrager zelf zorg of ondersteuning kan inkopen. Het is een alternatief voor zorg die door de gemeente wordt ingekocht en geleverd (zorg in natura, ZIN). De regels hierover staan in de jeugdwet, de Wmo 2015 en in de jeugdverordening 2026.
Het uitgangspunt in de Jeugdwet is dat jeugdhulp 'in natura' wordt geleverd. Dat wil zeggen dat de jeugdige of zijn ouders hulp ontvangen van een jeugdhulpaanbieder die door de gemeente is gecontracteerd. Alleen als dit niet passend is en ouders of jeugdige dat gemotiveerd kunnen aangeven, kan een pgb worden toegekend. Daarbij gelden strikte voorwaarden, zodat het budget verantwoord en doelmatig wordt besteed.
Een pgb kan alleen worden toegekend na een verplicht bewust keuzegesprek zoals beschreven in de jeugdwet. Dit gesprek wordt gevoerd door een consulent van Samen Doen. Tijdens dit gesprek wordt besproken waarom een pgb gewenst is, hoe de zorg wordt geregeld en of de aanvrager bekwaam genoeg is om het budget te beheren. De consulent beoordeelt ook of de ouders, jeugdige of vertegenwoordiger voldoende kennis en vaardigheden hebben om met het pgb om te gaan.
Het oordeel van de pgb-specialist over de pgb-vaardigheid is leidend bij de beslissing van de gemeente.
Als een pgb wordt toegekend, moet er een pgb-beheerder zijn. Deze moet:
- a.
- b.
- c.
Op basis van het PGB-plan en de tien pgb-vaardigheidspunten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) beoordeelt de pgb-specialist of de beheerder bekwaam is. Deze vaardigheidspunten staan toegelicht in de infographic van VWS: Infographic toetsing 10 punten pgb-vaardigheid. Wanneer de benodigde vaardigheden aanwezig zijn, wordt aangenomen dat het pgb verantwoord beheerd kan worden.
Indien een mentor, curator of bewindvoerder het pgb beheert, moet deze álle taken uitvoeren, inclusief toezicht op kwaliteit. Een jeugdige die een bewindvoerder, mentor of curator heeft of kiest om zijn pgb te laten beheren, kan te maken krijgen met kosten voor dit beheer. Deze kosten mag de pgb-beheerder bij de inwoner in rekening brengen. Deze kosten kunnen niet worden vergoed vanuit de pgb.
De kosten hiervan kunnen soms via bijzondere bijstand worden vergoed.
5.4.1 Uitsluitingsgronden van een pgb-beheerder
Een pgb wordt niet verstrekt als er sprake is van één of meer van de onderstaande omstandigheden.
- •
- •
- •
- •
Aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis:
Beperkingen zoals dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of Korsakov kunnen maken dat iemand de gevolgen van keuzes niet overziet en daardoor het pgb niet verantwoord kan beheren. In die gevallen kan zorg in natura passender zijn.
- •
- •
- •
Wanneer een uitsluitingsgrond aanwezig is, onderzoekt de consulent samen met de jeugdige en/of ouders of ondersteuning in natura een passend alternatief biedt.
Indien het college besluit het pgb te weigeren of in te trekken op grond van een uitsluitingsgrond, wordt dit besluit schriftelijk gemotiveerd, met vermelding van:
- a.
- b.
- c.
De hulp die met een pgb wordt ingekocht moet:
- a.
- b.
- c.
Informele hulp door niet-professionele hulpverleners, waaronder personen uit het sociale netwerk van de cliënt (zoals familie, vrienden of buren) mag, mits passend en verantwoord. De gemeente toetst dit op basis van de inhoud van het budgetplan.
We maken verschil tussen twee soorten pgb-tarieven:
- 1.
- 2.
Informele/niet professionele hulp
Voor ondersteuning door personen uit het sociale netwerk geldt dat het pgb-tarief is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dit volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1683).
Omdat de budgethouder als werkgever wordt aangemerkt, is het tarief opgebouwd uit twee delen:
- a.
- b.
De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks door de gemeente vastgesteld in het financieel besluit, op basis van actuele landelijke cijfers en adviezen, onder meer van Per Saldo. Hiermee wordt geborgd dat het tarief toereikend is en dat de hulpverlener na aftrek van lasten minimaal het wettelijk minimumloon ontvangt.
Indien het tarief niet toereikend is, kan het onderbouwd worden verhoogd tot maximaal 100% van het ZIN-tarief. In de onderbouwing moet de aanvrager inzichtelijk maken:
- a.
- b.
5.7 Besteding en verantwoording
Een pgb mag alleen besteed worden aan de hulp waarvoor het is toegekend. Verantwoording vindt plaats via het trekkingsrecht van de SVB. Er is geen vrij besteedbaar bedrag. Indien het pgb niet binnen drie maanden wordt gebruikt of niet volgens de voorwaarden wordt besteed, kan het worden ingetrokken.
Hoofdstuk 6. Wijziging of beëindiging individuele voorziening
6.1 Medewerking en gevolgen van onvoldoende medewerking
Het college verwacht dat de jeugdige en zijn ouders meewerken. Er is sprake van "Niet of onvoldoende meewerken" als:
- a.
- b.
- c.
Als het college denkt dat de jeugdige of zijn ouders onvoldoende meewerken, krijgen zij een schriftelijke waarschuwing. Zij hebben dan 2 weken om alsnog mee te werken.
Als er na deze 2 weken nog steeds geen medewerking is, kan het college:
- a.
- b.
Voordat het college zo'n besluit neemt, kijkt zij of er redenen zijn waarom meewerken moeilijk is, zoals een beperking, psychische problemen of taalproblemen. Als er sprake is van zulke belemmeringen, dan onderzoekt het college of er passende ondersteuning mogelijk is om de medewerking alsnog op gang te brengen. Als blijkt dat ondanks deze ondersteuning de medewerking uitblijft, kan het college overgaan tot het beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken van het besluit.
Het college handelt volgens regels van eerlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel.
Wanneer strikte toepassing van de beleidsregels leidt tot een kennelijk onredelijke, of onrechtvaardige uitkomst voor de jeugdige, kan hiervan worden afgeweken.
Afwijking vereist een professionele morele afweging en schriftelijke motivatie, waarbij belangenafweging en alternatieven worden meegenomen.
De toepassing van de hardheidsclausule wordt altijd afgestemd met de jeugdige en/of het gezin en vastgelegd in het dossier, waar nodig wordt het besproken binnen het team of met een leidinggevende.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg,
secretaris, burgemeester,
B.M. de Vries M.W. Offinga
Bijlage 1 STOMPT principe (vervoer)
Het STOMP principe is een prioriteringskader bij het opstellen van een duurzaam mobiliteitsbeleid. STOMP is de afkorting voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobiliteitsdiensten en Privéauto. In het visie document op vervoer introduceren wij het STOMPT-principe. Dit is een uitbreiding van het STOMP-principe.
Het STOMPT-principe houdt in dat onze voorkeursvolgorde van personenverplaatsingen is: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobiliteitsdiensten, Privéauto en tot slot het Taxivervoer. Om dit ook de voorkeursvolgorde van individuele reizigers te laten zijn, moeten Stappen en Trappen en Collectief vervoer (OV en mobiliteitsdiensten) aantrekkelijker worden. Het STOMPT-principe is naast deze voorkeursvolgorde ook een ruimtelijk inrichtingsprincipe. Hoe dit inrichtingsprincipe uitpakt, is afhankelijk van het type locatie en ambitie. Denk hierbij aan investeren in veilige fietsverbindingen en een goede dekking van openbaar vervoer in onze gemeente. Het STOMPT-principe is een goede leidraad voor gesprekken die worden gevoerd binnen het leerlingenvervoer.
Bijlage 2 Afweging vervoersvoorziening
Wanneer is een vervoersvoorziening mogelijk?
Vervoer kan geregeld worden als:
- •
- •
In het tweede geval wordt een afweging gemaakt op basis van onderstaande voorwaarden.
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- h.
Er wordt bij de beoordeling gekeken naar de afstand, leeftijd, veiligheid en de persoonlijke situatie van de jeugdige.