Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Hardenberg 2026
Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Hardenberg 2026
Deze beleidsregels zijn op 11 november 2025 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en treden in werking op 1 januari 2026.
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
- 1.1
- 1.2
- 2.1.
- 2.2
- 2.3
- 2.4
Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
- 3.1.
- 3.2
- 3.3
- 3.4
- 3.5
Hoofdstuk 4: Aanvraag besluit en beschikking
- 4.1.
- 4.2
- 4.3
Hoofdstuk 5: Maatwerkvoorzieningen
- 5.1
- 5.2
- 5.3
- 5.4
Hoofdstuk 6: Huishoudelijke ondersteuning
- 6.1
- 6.2
- 6.3
- 6.4
- 6.5
- 6.6
- 7.1
- 7.2
- 7.3
- 7.4
- 7.5
- 7.6
Hoofdstuk 8: Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
- 8.1
- 8.2
- 8.3
- 8.4
- 8.5
- 8.6
- 8.7
- 8.8
- 8.9
- 8.10
Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen
- 9.1
- 9.2
- 9.3
- 9.4
- 9.5
- 9.6
- 9.7
- 9.8
Hoofdstuk 10: Rolstoelvoorziening
- 10.1
- 10.2
- 10.3
Hoofdstuk 11: Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer
- 11.1
- 11.2
- 11.3
- 11.4
- 11.5
- 11.6
- 11.7
- 11.8
- 11.9
- 11.10
Hoofdstuk 12: Financieringsvormen maatwerkvoorziening
- 12.1
- 12.2
- 12.3
- 12.4
- 12.5
- 12.6
- 12.7
- 12.8
- 12.9
- 12.10
- 12.11
- 12.12
- 12.13
- 12.14
- 12.15
- 12.16
- 12.17
Hoofdstuk 13: Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen
- 13.1
- 13.2
- 13.3
- 13.4
- 14.1
- 14.2
De gemeente Hardenberg vindt het belangrijk dat iedereen zo lang mogelijk zelfstandig mee kan doen in de samenleving. Als dit niet vanzelf gaat, bijvoorbeeld door gezondheidsproblemen of weinig sociale contacten, helpt de gemeente met passende ondersteuning.
In deze beleidsregels staat hoe de gemeente deze hulp regelt. De regels zijn gebaseerd op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 en het Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg. Deze zijn afgeleid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De Wmo 2015 is een kaderwet die gemeenten ruimte geeft om eigen keuzes te maken. Daarom kijkt de gemeente bij elke aanvraag naar de persoonlijke situatie. De hulp kan dus per persoon verschillen, maar vergelijkbare situaties moeten wel op dezelfde manier worden behandeld.
Deze beleidsregels leggen uit hoe de gemeente Hardenberg de regels toepast en wat inwoners wel of niet kunnen verwachten. Ook staat beschreven wat de gemeente van inwoners zelf verwacht.
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 worden een aantal begrippen uitgelegd. Deze begrippen zijn eveneens van toepassing op deze beleidsregels en het ‘Financieel besluit Wmo en jeugd Hardenberg’.
In deze beleidsregels wordt vaak gesproken over ‘de inwoner’, waarbij met de woorden ‘hij’ en ‘hem’ elke inwoner wordt bedoeld, ongeacht genderidentiteit. Ook wordt gesproken over ‘de gemeente’; hiermee wordt het college van burgemeester en wethouders bedoeld.
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
1.1. Het Hardenbergse Model voor ondersteuning
Sinds 2022 werkt de gemeente Hardenberg met het Hardenbergse Model voor Ondersteuning. Dit model gaat uit van de gedachte dat ondersteuning het beste werkt als die dicht bij de inwoner wordt gegeven – thuis, op school, op het werk of in de buurt. Inwoners worden gestimuleerd om zelf de regie te houden over hun leven. De ondersteuning sluit aan bij hun persoonlijke situatie en leefomgeving.
De uitgangspunten uit het Hardenbergse Model vormen de basis voor deze beleidsregels. Ze geven richting aan de doorontwikkeling van ondersteuning binnen Wmo en Jeugd, met als doel: een gezonde, veilige en betekenisvolle samenleving voor iedereen in Hardenberg.
De pijlers van het Hardenbergse model zijn:
- •
- •
- •
De gemeente werkt samen met aanbieders en partners in het voorliggende veld. Samen versterken we voorzieningen die preventief en voor iedereen toegankelijk zijn. Dit draagt bij aan een stevige sociale basis waarin inwoners elkaar kunnen ondersteunen en sneller passende hulp kunnen krijgen.
De beleidsregels voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Vanuit de visie positieve gezondheid wordt uitgegaan van wat mensen wél kunnen, met minder nadruk op beperkingen of problemen. Gezondheid wordt breed benaderd: naast medische zorg is er aandacht voor zingeving, mentale veerkracht, sociale relaties en participatie. Dit vertaalt zich in welzijnsactiviteiten, ondersteuning bij zingeving, mentale gezondheid, leefomgeving en zelfregie.
Niet elke kwetsbaarheid vraagt om professionele hulp. Ondersteuning wordt zoveel mogelijk geboden in de eigen leefomgeving via het sociale netwerk of algemene voorzieningen. Doel is herstel van het gewone leven. Specialistische, individuele ondersteuning wordt alleen ingezet als dat echt nodig is.
De ondersteuning is flexibel, kortdurend en afgestemd op de leefwereld van de inwoner. Er wordt integraal gewerkt, met oog voor werk, onderwijs en participatie als belangrijke vormen van dag invulling.
Professionals krijgen vertrouwen en ruimte om maatwerk te leveren. Ze werken samen in teams, waarin ze elkaar kunnen versterken en eenvoudige werkprocessen het uitgangspunt zijn. Zo kunnen inwoners sneller en beter geholpen worden.
Samen Doen Hardenberg BV is de organisatie die als sociaal wijkteam de gemeente adviseert over de toegang tot Wmo en integrale ondersteuning biedt aan de inwoners. Samen Doen helpt inwoners met vragen over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid.
Medewerkers van Samen Doen worden consulenten genoemd. De consulenten zijn er voor de inwoner. Samen met de inwoner zoeken zij naar passende oplossingen. Ze kijken daarbij naar wat de inwoner zelf kan, met hulp van het eigen netwerk. Ook geven zij informatie en advies over hulp in de omgeving.
Als er sprake is van complexe problematiek, vervullen zij, wanneer nodig, de rol van casusregisseur, organiseren zij een multidisciplinair overleg en bewaken ze de afstemming en voortgang. De consulenten hebben kennis van wet- en regelgeving en kennen de sociale basis/de algemene voorzieningen in Hardenberg.
Om de ondersteuning in de buurt en dicht bij de inwoner(s) van de gemeente Hardenberg te organiseren, heeft Samen Doen vier gebiedsteams; noord, west, zuid en kern. Deze gebiedsteams hebben iedere week één of meerdere vrije inloopspreekuren of zijn lokaal aangesloten bij het infohuis.
Daarnaast zijn zij telefonisch bereikbaar en is het mogelijk om in overleg met de consulenten van Samen Doen een afspraak te plannen op een ander tijdstip dan de inloopuren. Samen Doen is ook bereikbaar via de e-mail en/of website van de gemeente (via het meldingsformulier).
De onderzoeksfase begint met de melding. Een inwoner die beperkingen heeft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning kan zich melden met een hulpvraag. De inwoner kan contact opnemen met Samen Doen. De melding kan schriftelijk, telefonisch, digitaal (via het meldingsformulier ‘Neem contact op met Samen Doen’ op de website van de gemeente Hardenberg) of in persoon (mondeling) gedaan worden.
De melding kan door de inwoner zelf gedaan worden, maar ook namens de inwoner door iemand anders, bijvoorbeeld een vertegenwoordiger, partner of zorgverlener.
De inwoner kan zich in contact met Samen Doen bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de inwoner te behartigen. Inwoners worden bij het invullen van het contactformulier op de website en bij het eerste contact met Samen Doen op de mogelijkheid gewezen om zich gratis te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. De cliëntondersteuner denkt met de inwoner mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner beantwoordt samen met de inwoner vragen als: Wat past bij de inwoner? Welke keuzes kan de inwoner maken?
Na de melding kan de inwoner binnen 7 dagen zelf een persoonlijk plan indienen bij de gemeente. In dit plan beschrijft de inwoner zijn persoonlijke situatie, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en welke vorm van maatschappelijke ondersteuning volgens hem het beste past bij zijn ondersteuningsbehoefte. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. De gemeente neemt het persoonlijk plan mee in het onderzoek. Voor meer informatie over het onderzoek zie Hoofdstuk 3.1.
2.4 Informatie en identificatie
De inwoner moet aan kunnen aantonen wie hij is. Daarom moet hij zich, tijdens het keukentafelgesprek, legitimeren met een geldig identiteitsbewijs zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht.
Personen met de Nederlandse nationaliteit kunnen zich in ieder geval legitimeren door middel van een: paspoort, Europese identiteitskaart of een rijbewijs.
Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status. Voor aanvragen in het kader van de Wmo 2015 accepteert de gemeente de identiteitsbewijzen die zijn toegestaan volgens de Wet op de identificatieplicht;
- •
- •
- •
- •
Het rijbewijs is een algemeen erkend identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht), maar in situaties waarin gegevens over verblijfsstatus en nationaliteit belangrijk zijn, geeft een rijbewijs geen duidelijkheid. Een rijbewijs zegt namelijk niets over de nationaliteit en verblijfsstatus.
Een inwoner hoeft zich niet te legitimeren als de medewerker van de gemeente die het gesprek voert, de inwoner al kent en de inwoner zich al eerder bij die medewerker heeft gelegitimeerd.
Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
Nadat de melding is gedaan en eventueel het persoonlijk plan is ingediend, onderzoekt Samen Doen of er hulp nodig is.
Zorgvuldig onderzoek is belangrijk om de hulpvraag van een inwoner goed te begrijpen. De gemeente verzekert zich ervan dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden.
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het (keukentafel)gesprek. Het is aan Samen Doen om te bepalen welke vorm van contact het beste past bij de hulpvraag. Dit kunnen één of meerdere gesprekken bij Samen Doen of bij de inwoner thuis zijn (een huisbezoek), of een telefoongesprek.
De inwoner kan zich in het keukentafelgesprek bij laten staan door mensen uit de directe omgeving zoals mantelzorgers, vertegenwoordigers of vrijwilligers, of door een cliëntondersteuner.
Tijdens het gesprek verzamelt Samen Doen de informatie die nodig is om te bepalen of een inwoner maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Samen Doen onderzoekt dus de hulpvraag, de beperkingen, de persoonskenmerken, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Daarnaast onderzoekt Samen Doen de mogelijkheden van de inwoner om zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen met eigen kracht/mogelijkheden uit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere regelingen. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft ingediend bespreekt Samen Doen dit persoonlijke plan met de inwoner in het gesprek.
Als de consulent van Samen Doen inschat dat de hulpvraag complexer is of meerdere problemen betreft, vindt er verder onderzoek plaats, soms met hulp van verschillende specialisten. Zie hiervoor Hoofdstuk 3.4.
Als Samen Doen vindt dat er genoeg informatie is en het duidelijk is wat de hulpvraag is, kan in overleg met de inwoner besloten worden om geen uitgebreid onderzoek te doen.
Het onderzoek richt zich op de ondersteuningsvragen die onder de Wmo 2015 vallen, maar er is ook aandacht voor vragen die niet onder deze regels vallen, zoals vragen over werk, inkomen, veiligheid of wonen. Wanneer nodig, wordt de inwoner doorverwezen naar de juiste ondersteuning.
3.2 Stappenplan onderzoek en oplossingsmogelijkheden
Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819). De resultaten worden vastgelegd in het ondersteuningsplan.
Stap 1 - Bepaal de hulpvraag van de inwoner
Het onderzoek begint met het verduidelijken van de hulpvraag van de inwoner: wat denkt de inwoner nodig te hebben? Waarom? Wat gaat goed en wat lukt niet meer? Er wordt voldoende informatie verzameld over de feiten en omstandigheden om goed te begrijpen wat er speelt. Dit helpt om te begrijpen waar de inwoner tegenaan loopt en waarom hij om hulp vraagt. Soms helpt een gesprek met familie of onafhankelijke cliëntondersteuning bij het formuleren van de vraag. Daarbij is het noodzakelijk dat er voldoende kennis moet worden verzameld over de van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen (artikel 3:2 Awb in samenhang met artikelen 2.3.2 en 2.3.5 Wmo 2015). Als de vraag kan worden opgelost met informatie of advies, kan het onderzoek worden afgesloten.
Stap 2 - Onderzoek de problemen met zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving
Het onderzoek kijkt vervolgens of de hulpvraag onder de Wmo 2015 valt en welke problemen ondervonden worden. Dit kan zijn:
- •
- •
- •
Stap 3 - Bepaal welke ondersteuning nodig is
Wanneer de problemen duidelijk zijn, kan worden bepaald welke hulp nodig is naar aard en omvang. Samen met de inwoner wordt gekeken naar het gewenste resultaat: wanneer is de hulpvraag voldoende opgelost en is dit realistisch? De doelen, de resultaten, de activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning worden vastgesteld.
Stap 4 - Onderzoek de eigen mogelijkheden en de hulp uit het netwerk
Het onderzoek kijkt allereerst naar de mogelijkheden van de inwoner zelf, de hulp van het sociale netwerk (zoals familie of vrienden) en voorliggende voorzieningen (zoals algemene diensten). Uitgangspunt is de hulpvraag op te lossen, als dit mogelijk is, zonder extra ondersteuning vanuit de Wmo 2015.
Als het beoogde resultaat duidelijk is, wordt gekeken hoe dit bereikt kan worden. Er wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan doen. Een maatwerkvoorziening wordt pas ingezet als dat nodig is. Mogelijke oplossingen zijn:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
In Hoofdstuk 3.3 worden bovenstaande mogelijke oplossingen verder uitgelegd.
Stap 5 - Bepaal of er nog iets overblijft om te compenseren via een maatwerkvoorziening
Als na het doorlopen van stap 1 t/m 4 nog geheel of gedeeltelijk ondersteuning nodig is, kan de inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Hiervoor is een individuele toekenning nodig. Om in aanmerking te komen, moet de inwoner voldoen aan de algemene en specifieke criteria voor maatwerkvoorzieningen (zie Hoofdstuk 5 van deze beleidsregels). De inwoner moet voor bepaalde maatwerkvoorzieningen bijdragen in de kosten.
3.3 Oplossingsmogelijkheden toegelicht
De Wmo 2015 stimuleert inwoners om hun eigen kracht te gebruiken bij het oplossen van beperkingen. Om te bepalen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, onderzoekt Samen Doen of iemand in staat is om op eigen kracht, eventueel met hulp van de omgeving, zijn situatie te verbeteren of beperkingen te verminderen. Hierbij wordt gekeken naar mogelijkheden zoals het aanpassen van de eigen leefstijl, aanpassen van de leefomgeving zelfregie, het gebruik van algemene voorzieningen of eigen financiële middelen. Samen Doen onderzoekt dit tijdens het (keukentafel)gesprek met de inwoner en kijkt naar de werkelijke mogelijkheden die iemand heeft, op basis van persoonlijke kenmerken en voorkeuren. De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid, maar beoordeelt altijd de individuele situatie.
Bij de beoordeling van maatschappelijke ondersteuning onderzoekt Samen Doen of gebruikelijke hulp mogelijk is. Dit is hulp die in redelijkheid verwacht mag worden van huisgenoten zoals een partner, ouder of kind. Het uitgangspunt is dat leden van een huishouden elkaar ondersteunen bij dagelijkse taken, zoals hulp bij het huishouden, verzorging of begeleiding.
Gebruikelijke hulp bij het huishouden is verplicht, met inachtneming van de leeftijd en ontwikkelingsfase van kinderen:
- •
- •
- •
- •
- •
Samen Doen beoordeelt dit per situatie, maar houdt geen rekening met werkdruk, lange reistijd of traditionele rolverdelingen.
Gebruikelijke hulp wordt niet verwacht in de volgende situaties:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
3.3.3 Sociaal netwerk/ Mantelzorg
Samen Doen onderzoekt of hulp vanuit het sociaal netwerk of mantelzorg ondersteuning kan bieden bij het verminderen van beperkingen.
Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring (zoals familie of partner) en anderen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zoals buren of leden van een vereniging.
Mantelzorg is langdurige, intensieve, onbetaalde hulp vanuit de directe omgeving, die verder gaat dan gebruikelijke hulp. Mantelzorgers hoeven niet in hetzelfde huis te wonen. Zij bepalen zelf wat zij kunnen en willen doen.
Tijdens het gesprek beoordeelt Samen Doen of mantelzorg beschikbaar is, en kijkt daarbij naar de belastbaarheid van de mantelzorger, inclusief zijn gezondheid, tijd en reistijd. Bij (dreigende) overbelasting kan ondersteuning worden geboden via de Zvw, mantelzorgorganisaties (zoals Mantelzorgnetwerk Hardenberg), patiëntenverenigingen of vrijwilligersinitiatieven. Als deze ontoereikend zijn, kan een maatwerkvoorziening (bijv. respijtzorg) worden ingezet.
3.3.4 Voorliggende oplossingen
Samen Doen onderzoekt of de hulpvraag kan worden opgelost via voorliggende oplossingen. Dit zijn voorzieningen die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Voorbeelden hiervan zijn hulp van een vrijwilliger of deelname aan activiteiten in een buurthuis. Als de hulpvraag hiermee adequaat kan worden opgevangen, komt de inwoner niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.
Samen Doen beoordeelt of een inwoner gebruik kan maken van algemene voorzieningen. Dit zijn vrij toegankelijke voorzieningen waarvoor geen indicatie nodig is, zoals sociaal werk, welzijnswerk of activiteiten in de wijk. De gemeente Hardenberg werkt hiervoor samen met De Stuw. Als de hulpvraag met een algemene voorziening afdoende wordt beantwoord, is een maatwerkvoorziening niet aan de orde.
3.3.6. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Dit zijn voorzieningen die beschikbaar zijn voor iedereen, niet specifiek voor mensen met een beperking. De inwoner moet deze zelf betalen als dat mogelijk is. De algemeen gebruikelijke voorziening moet financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau. Het gaat hier bijvoorbeeld om een douchekruk, toilet verhoger, muurbeugels voor in toilet of badkamer en een rollator. Als een dergelijke voorziening beschikbaar is en passend is voor de hulpvraag, wordt geen maatwerkvoorziening toegekend.
3.3.7 Wettelijke voorliggende voorzieningen (andere wetgeving)
Als de hulpvraag onder een andere wettelijke regeling valt – zoals de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) – dan gaat die regeling voor op de Wmo 2015. De keuze van een inwoner om geen gebruik te maken van een voorliggende wettelijke voorziening is geen reden om alsnog een Wmo-maatwerkvoorziening toe te kennen (zie o.a. jurisprudentie CRvB, ECLI:NL:CRVB:2021:2054).
3.4 Opvragen extern (medisch) advies
Bij iedere stap van het onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat de juiste deskundigheid wordt ingezet om de stap goed af te ronden. Als er specialistische kennis nodig is, moet Samen Doen een externe deskundige inschakelen (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Ook kan er (medisch) advies gevraagd worden om medische documenten te laten beoordelen. Als dit nodig is, wint de consulent van Samen Doen (medisch) advies in bij een door de gemeente gecontracteerd adviesbureau. Als dit belangrijk is voor het onderzoek, moet de inwoner meewerken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe de hulpvraag het beste opgelost kan worden.
Naar aanleiding van het onderzoek wordt door Samen Doen een verslag opgesteld: het ondersteuningsplan. Dit plan wordt geschreven door de consulent van Samen Doen, op basis van het gesprek met de inwoner en eventueel andere betrokkenen, zoals het sociale netwerk, een onafhankelijke cliëntondersteuner of mantelzorger.
Het ondersteuningsplan geeft een overzicht van de ondersteuningsvragen. Daarnaast bevat het, wanneer van toepassing, de doelen en activiteiten waarmee de inwoner, eventueel samen met zijn sociale omgeving, zelf aan de slag kan. Dit wordt gedaan volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (stappen 1 tot en met 5) zoals beschreven onder 3.2. In het plan worden afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, de resultaten, de activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning. Ook de uitkomst van eventueel opgevraagd (medisch) advies wordt verwerkt in het ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden binnen een redelijke termijn toegevoegd aan het plan.
3.5.1 Verstrekking ondersteuningsplan
De inwoner ontvangt zo spoedig mogelijk na het laatste gesprek met Samen Doen een kopie van het ondersteuningsplan. In overleg met de inwoner wordt het plan schriftelijk, per e-mail of via het burgerportal verstrekt. Via het burgerportal kan het plan ook digitaal worden ondertekend.
De inwoner krijgt 10 dagen de tijd om het ondersteuningsplan te tekenen voor akkoord of niet akkoord en terug te sturen naar Samen Doen. Daarna zal een besluit worden genomen.
Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de hulpvraag opgelost kan worden door eigen kracht, het sociale netwerk/ mantelzorg, een voorliggende voorziening, een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening of een andere wettelijke voorziening, hoeft het plan niet ondertekend te worden. In dit geval is de hulpvraag al opgelost. Het ondersteuningsplan wordt dan gebruikt om het onderzoek weer te geven en de melding wordt afgesloten. Dit staat ook zo in de begeleidende brief bij het ondersteuningsplan. Het plan wordt gedeeld met de inwoner ter informatie.
3.5.2 Inwoner is niet eens met inhoud ondersteuningsplan
Als de inwoner het niet eens is met de uitkomst van het onderzoek (bijvoorbeeld als de inwoner vindt dat er wel compensatie noodzakelijk is via een maatwerkvoorziening), dan kan de inwoner dit binnen 10 dagen kenbaar maken, door dit te vermelden op het ondersteuningsplan. De inwoner kan aangeven welke maatwerkvoorziening hij wenst en het ondersteuningsplan voor gezien ondertekenen en terugsturen naar Samen Doen. Samen Doen gaat hierover in gesprek met de inwoner.
Hoofdstuk 4: Aanvraag, besluit en beschikking
4.1 Aanvraag maatwerkvoorziening
Pas na de onderzoeksfase, die begon bij de melding, kan de inwoner een aanvraag tot maatschappelijke ondersteuning indienen. Een aanvraag is dus niet hetzelfde als een melding. Een melding kan ook door iemand anders dan de inwoner worden gedaan. Een aanvraag moet door de inwoner of door zijn gemachtigde schriftelijk worden gedaan. De inwoner kan iemand machtigen door een bewijs van de machtiging in te leveren die door de inwoner en de gemachtigde is ondertekend.
De inwoner kan de aanvraag doen door het ondersteuningsplan te ondertekenen en in te dienen bij Samen Doen. (Zie artikel 8 Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026.)
Op het moment dat de inwoner een aanvraag heeft ingediend, beoordeelt de gemeente of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. De gemeente beoordeelt dan hoeveel hulp aan de inwoner kan worden geboden vanuit eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en hulp uit het sociale netwerk en hoeveel hulp de inwoner dan nog nodig heeft van de gemeente om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015 voldoende te verminderen of weg te nemen.
Als de inwoner het ondersteuningsplan niet binnen 10 werkdagen ondertekent, maar dit uitstelt, kan dat gevolgen hebben. De gemeente kan dan, 6 weken na het verstrekken van het plan, besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De reden is dat de situatie van de inwoner in de tussentijd kan zijn veranderd. Er is dan nieuw onderzoek nodig. In dat geval behandelt Samen Doen de aanvraag als een nieuwe melding. Blijkt uit onderzoek van de consulent dat de situatie onveranderd is, dan kan de aanvraag alsnog in behandeling worden genomen.
De gemeente heeft 2 weken de tijd om een besluit te nemen nadat een aanvraag voor een maatwerkvoorziening is ingediend.
De gemeente kan deze termijn verlengen in samenspraak met de inwoner of als de gemeente de termijn opschort. De gemeente kan in een beperkt aantal gevallen de termijn opschorten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de gemeente nog wacht op een onafhankelijk advies dat is aangevraagd. Ook kan de termijn opgeschort en daardoor verlengd worden als de inwoner niet de benodigde gegevens heeft verstrekt aan de gemeente of niet meewerkt.
De gemeente legt de beslissing over een aanvraag voor een maatwerkvoorziening vast in een beschikking. De inwoner ontvangt de beslissing schriftelijk en digitaal via het burgerportaal. In de beschikking wordt de toegekende maatwerkvoorziening van de inwoner vastgelegd, evenals de bijbehorende voorwaarden en verplichtingen. In de beschikking staat verder welke maatwerkvoorziening (soort, omvang, ingangsdatum en einddatum) wordt verstrekt en of deze wordt verstrekt in natura (ZIN), als pgb of als financiële tegemoetkoming. Als de maatwerkvoorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend, wordt dit ook vermeld. In artikel 10 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026 staat nader uitgelegd wat er precies in de beschikking staat.
De inwoner moet zich na het toekennen van de beschikking, binnen 3 maanden na de besluitdatum melden bij de aanbieder. Dit geldt zowel voor maatwerkvoorzieningen in ZIN als in pgb. Ook een financiële tegemoetkoming moet binnen 3 maanden worden gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt. Dit is belangrijk omdat voorzieningen en tegemoetkomingen zijn bedoeld om tijdig ondersteuning te bieden bij zelfredzaamheid en participatie. Als de voorziening niet op tijd wordt ingezet, bestaat het risico dat de hulpvraag verergert of dat de voorziening niet meer aansluit op de actuele situatie van de inwoner.
Als de inwoner het niet eens met het besluit op een aanvraag, dan kan hij binnen 6 weken schriftelijk bezwaar maken bij de gemeente. Een onafhankelijke bezwarencommissie adviseert de gemeente over het ingediende bezwaar. Daarbij wordt ook beoordeeld of het onderzoek voorafgaand aan het besluit zorgvuldig is uitgevoerd. De inwoner wordt meestal uitgenodigd voor een hoorzitting om het bezwaar toe te lichten. Daarna ontvangt hij een besluit op bezwaar.
Als de inwoner het niet eens is met het besluit op bezwaar, kan hij binnen 6 weken beroep instellen bij de rechtbank.
Hoofdstuk 5: Maatwerkvoorzieningen
Inwoners van de gemeente Hardenberg kunnen een maatwerkvoorziening krijgen op basis van de Wmo 2015 als zij door lichamelijke, psychische of sociale problemen niet goed kunnen meedoen in de samenleving. De gemeente moet inwoners ondersteunen bij problemen met zelfredzaamheid en participatie.
Wanneer een inwoner een aanvraag indient voor maatschappelijke ondersteuning, beoordeelt de gemeente of er recht is op een maatwerkvoorziening. Daarbij wordt gekeken of de beperkingen van de inwoner gecompenseerd moeten worden, volgens de regels van de Wmo 2015.
5.2 Algemene criteria en afwegingskaders voor de beoordeling van een maatwerkvoorziening
Wanneer een inwoner ondersteuning vraagt, beoordeelt de gemeente of deze hulp noodzakelijk is in de vorm van een maatwerkvoorziening. De gemeente gebruikt hiervoor de algemene criteria uit artikel 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026 en volgt het stappenplan zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3.2 van deze beleidsregels. Dit stappenplan sluit aan bij de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Volgens deze lijn beoordeelt de consulent van Samen Doen eerst:
- •
- •
- •
Als deze mogelijkheden niet toereikend zijn, onderzoekt de consulent of er passende algemene of voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn. Als ook deze oplossingen niet passend of voldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend.
Op basis van drie uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1095, 1096 en 1097) is het noodzakelijk dat de gemeente in de Verordening vastlegt wanneer sprake is van het benutten van eigen kracht. Dit is geregeld in artikel 10, lid 3 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026. Daarbij worden de volgende afwegingscriteria gehanteerd:
- •
- •
- •
Deze afwegingscriteria zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.3 van deze beleidsregels. Ze vormen, samen met het wettelijke kader, de Verordening, het stappenplan en het ondersteuningsplan, de basis voor de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
5.3 Specifieke criteria voor hulp in de vorm van een maatwerkvoorziening
Naast de algemene criteria, gelden er ook een aantal specifieke criteria voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen. Deze worden verder toegelicht in de volgende paragrafen.
De gemeente verstrekt alleen de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening. Het woord ‘compenserend’ wil zeggen dat het moet gaan om hulp die volgens objectieve maatstaven verantwoord, toereikend en nodig is. Dit houdt in dat de voorziening van voldoende kwaliteit moet zijn en dat de voorziening passend moet zijn voor de inwoner. De hulp moet de beperkingen van de inwoner voldoende oplossen. Ook moet de hulp nodig zijn. Alleen het wenselijk zijn van hulp of het veel baat hebben bij hulp is niet voldoende. De gemeente bepaalt (eventueel met behulp van een medisch advies) welke hulp er in een bepaalde situatie compenserend (en dus ook nodig) is.
De gemeente gaat bij de verstrekking van hulp uit van de goedkoopste maatwerkvoorziening die compenserend is. Hierbij kan ook gekeken worden naar de kosten van de hulp op de langere termijn.
Een voorziening in het kader van maatschappelijke ondersteuning hoeft er niet voor te zorgen dat de inwoner in dezelfde of wellicht betere positie terecht komt dan voordat hij de ondersteuning nodig had.
De gemeente Hardenberg verstrekt alleen een maatwerkvoorziening aan een inwoner van de gemeente. Het gaat hierbij om een inwoner die zijn hoofdverblijf dan wel feitelijk verblijf in de gemeente Hardenberg heeft. Dit kan onder andere blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente, maar is niet noodzakelijk. De feitelijke woonsituatie ten tijde van het besluit is leidend.
Uitzondering hierop geldt voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Op grond van artikel 1.2.1 van de Wmo 2015 kan een ingezetene in Nederland hiertoe in iedere gemeente een aanvraag indienen.
5.3.3 Andere wettelijke bepaling
De Wmo 2015 heeft raakvlakken met andere wetgeving, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet Langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet kinderopvang. Elke wet heeft zijn eigen specifieke regels en doelstellingen. Als een oplossing mogelijk is via een andere wet, gaat deze voor op een oplossing op grond van de Wmo 2015.
5.3.4 Voorziening nog niet afgeschreven
De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening als de hulp al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Met de normale afschrijvingsduur wordt de economische levensduur bedoeld:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte hulp niet meer passend is (en dus niet meer compenserend). Of als de maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner toe te rekenen zijn, of als de inwoner de gemeente (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan bijvoorbeeld worden verstaan dat de inwoner een beroep kan doen op een verzekering, zoals een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de inwoner, als iemand anders de schade heeft veroorzaakt, de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt.
De gemeente kan de aanvraag afwijzen als de inwoner zelf schuld heeft aan het verlies van de voorziening, bijvoorbeeld door onzorgvuldigheid. In dat geval is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de kosten.
Als een inwoner door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig heeft voor bijvoorbeeld een scootmobiel, dan schendt de gebruiker de verplichtingen die verbonden zijn aan de verstrekte maatwerkvoorziening. Schade en kosten voor reparatie die rechtstreeks de schuld zijn van de inwoner worden niet vergoed vanuit de Wmo 2015. De inwoner moet deze kosten zelf betalen. De gemeente kan de leverancier van een voorziening vragen of de schade is veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik.
De gemeente verstrekt geen nieuwe maatwerkvoorziening als de gemeente al eerder een voorziening heeft verstrekt die al wel afgeschreven is, maar nog steeds passend is en in goede staat is. De voorziening is dan nog steeds compenserend.
5.3.5 De voorziening is grotendeels op de inwoner gericht die hulp nodig heeft
De gemeente verstrekt een maatwerkvoorziening aan de inwoner om zijn beperkingen te compenseren. De hulp moet dus bedoeld zijn voor één inwoner. Bij de beoordeling of een voorziening compenserend is, houdt de gemeente wel rekening met de gezinssituatie van de inwoner. De gezinssituatie van de inwoner hoort namelijk tot de individuele omstandigheden van de inwoner die meegewogen worden bij de beoordeling van de aanvraag.
Bij co-ouderschap wordt in beginsel maar één voorziening verstrekt. Ouders moeten onderling afspraken maken over de al verstrekte voorzieningen.
De gemeente verstrekt in principe alleen een maatwerkvoorziening voor hulpmiddelen als deze langdurig noodzakelijk zijn. Langdurig noodzakelijk betekent dat de hulp niet een korte periode, maar een langere periode nodig is. Bij hulpmiddelen gaat de gemeente er van uit dat een hulpmiddel een langere periode nodig is, als deze 6 maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel kan lenen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van de Zvw kan een inwoner maximaal 6 maanden een hulpmiddel lenen uit het hulpmiddelendepot. Soms kan de gemeente besluiten niet vast te houden aan het criterium dat een voorziening 6 maanden nodig moet zijn. Bij een inwoner die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan 6 maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan 6 maanden zijn. Ook bij hulp bij het huishouden kan voor een kortere periode hulp worden ingezet. Zie meer hierover in hoofdstuk 6.
5.3.7 De hulp is niet te voorzien
De gemeente verstrekt alleen een maatwerkvoorziening als de hulpvraag niet te voorzien was. Dit betekent dat de inwoner vooraf geen rekening kon of had moeten houden met de noodzaak van hulp.
Was de hulp wel te voorzien, dan is het de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om passende keuzes te maken. Bijvoorbeeld: iemand die al weet dat hij geen trappen kan lopen, kan geen woningaanpassing krijgen als hij verhuist naar een huis met veel trappen. De inwoner moet dus rekening houden met zijn beperkingen of de ontwikkeling daarvan. Maar hij hoeft geen maatregelen te nemen voor beperkingen die misschien in de toekomst ontstaan door ouder worden.
5.3.8 De voorziening is nog niet door de inwoner gerealiseerd
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 staat dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de gevraagde voorziening al vóór de datum van het besluit door de inwoner is gerealiseerd.
Is de voorziening al voor dat moment geregeld, dan ervaart de inwoner op het moment van besluitvorming geen beperkingen meer. Daarom hoeft er in principe geen maatwerkvoorziening meer verstrekt te worden.
Toch moet de gemeente in sommige gevallen wél nog onderzoeken of er op dat moment sprake was van een noodzaak tot ondersteuning vanuit de Wmo. Er moet dan gekeken worden of de inwoner toen daadwerkelijk beperkingen had, en of de voorziening noodzakelijk, passend en doelmatig was. Soms blijkt uit dit onderzoek dat de voorziening alsnog vergoed kan worden. Er wordt onderscheid gemaakt op basis van het moment waarop de kosten zijn gemaakt:
Zijn de kosten gemaakt vóór de melding bij de gemeente, dan wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt. Een uitzondering hierop is wanneer er sprake is van een acute noodsituatie waardoor de voorziening voor de inwoner dringend noodzakelijk was. Of er sprake is van een acute noodsituatie is ter beoordeling van het college.
Na melding en voor datum besluit
Zijn de kosten gemaakt na de melding maar voor de beschikking, dan kan de gemeente besluiten om een maatwerkvoorziening te verstrekken, mits het college: Vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven; en De noodzaak, adequaatheid en compenserendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
De gemeente kan dan alsnog overgaan tot het verstrekken van de goedkoopst compenserende voorziening.
Hoofdstuk 6: Huishoudelijke ondersteuning
Het uitgangspunt van de Wmo 2015 en de gemeente Hardenberg (zie artikel 11 van de Verordening) is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en voor hun zelfredzaamheid. Inwoners zijn ook in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor hun huishouden. Daarbij is van belang: wat kan de inwoner nog zelf (eigen kracht), eventueel met hulp uit zijn omgeving (sociaal netwerk, mantelzorg) of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen om zijn situatie te verbeteren? De gemeente mag eigen verantwoordelijkheid verwachten en ook vragen van inwoners, die een beroep doen op ondersteuning van de gemeente. Is iemand niet of onvoldoende zelfredzaam, dan biedt de gemeente de ondersteuning die nodig is.
Onder eigen kracht wordt verstaan: de huishoudelijke activiteiten die door de inwoner zelf of door zijn huisgenoten kunnen worden uitgevoerd. Deze activiteiten worden niet overgenomen door middel van een maatwerkvoorziening. In de praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner zelf wordt uitgevoerd en voor een ander deel een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Een van het benutten van de eigen kracht is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. De gemeente Hardenberg verwacht bijvoorbeeld van de inwoner dat deze met de inrichting van de woning, de aanschaf van (tijdbesparende) huishoudelijke apparaten, schoonmaakspullen en het gebruiken van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten een bijdrage levert aan verbetering van zijn situatie.
Gebruikelijke hulp en mantelzorg
Als er sprake is van gebruikelijke hulp en/of mantelzorg, dan wordt er geen of minder ondersteuning geboden bij het leefbaar houden of organiseren van het huishouden. In hoofdstuk 3.3.2 en 3.3.3 van deze beleidsregels zijn de begrippen ‘gebruikelijke hulp’ en ‘mantelzorg’ al toegelicht.
In de praktijk kan het dus betekenen dat een deel van het huishouden door de mantelzorger wordt overgenomen en er voor een ander deel (tijdelijk) aanvullende ondersteuning wordt geboden door de inzet van een algemene of maatwerkvoorziening. Naast gebruikelijke hulp en/of mantelzorg kan ook de inzet van vrijwilligers een oplossing bieden bij het verzorgen (van een deel) van het huishouden.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Voorzieningen die voor een brede doelgroep toegankelijk zijn en die (gedeeltelijk) ondersteuning kunnen bieden, zijn voorliggend (zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). Voor ondersteuning bij het huishouden kunnen dat onder andere de ramenlap-service en boodschappen- of vrijwilligersdiensten zijn.
6.2.1 Andere voorzieningen: bijvoorbeeld Wlz
De gemeente zet geen ondersteuning voor huishoudelijke hulp in, als deze voorziening valt onder een andere regeling. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Dan valt huishoudelijke hulp onder de Wlz.
De gemeente moet wel altijd onderzoeken of de Wlz-voorziening ook daadwerkelijk beschikbaar is én passend is bij de hulpvraag van de inwoner. Soms is dat (nog) niet het geval. Bijvoorbeeld als:
- •
- •
- •
In deze situaties kan tijdelijk nog hulp bij het huishouden via de Wmo nodig zijn. Als de hulp via de Wlz niet voldoende is, moet de inwoner zich melden bij het zorgkantoor.
6.3 Algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning
Als al het voorafgaande – eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en algemeen gebruikelijke voorzieningen – niet heeft geleid tot een oplossing van het probleem, wordt gekeken naar een algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning.
De gemeente Hardenberg kent zowel een algemene als een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. De algemene voorziening gaat vóór op de maatwerkvoorziening en geldt als basisvoorziening.
Voor de algemene voorziening geldt geen eigen bijdrage. Deze voorziening is bedoeld voor inwoners die tijdelijk of in beperkte mate ondersteuning nodig hebben bij lichte huishoudelijke taken, zoals stofzuigen, dweilen of het schoonmaken van sanitair, maar (nog) geen maatwerkvoorziening nodig hebben. De voorziening is bedoeld voor inwoners die zelf nog een deel van de huishoudelijke taken kunnen uitvoeren of hulp ontvangen vanuit hun netwerk.
Het doel van de algemene voorziening is om inwoners te ondersteunen bij het behoud van hun zelfredzaamheid en om te voorkomen dat zwaardere of langdurige ondersteuning nodig wordt.
De toegang verloopt via een lichte toets door het Klantencontactcentrum (KCC). Op basis daarvan wordt beoordeeld of een inwoner kan worden toegelaten tot de algemene voorziening.
Een inwoner komt in aanmerking voor de algemene voorziening als hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
Onder de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning valt het resultaat:
- •
Een woning is schoon en leefbaar als deze normaal bewoond kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.
- •
- •
De algemene voorziening wordt aangeboden voor een vast aantal uren van 72 per jaar, waarbij de inwoner zelf mag bepalen hoe deze uren worden ingezet.
De algemene voorziening kan niet door de gemeente worden afgedwongen. Als een inwoner van mening is dat deze voorziening zijn beperkingen onvoldoende compenseert, wordt een onderzoek naar een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning uitgevoerd (zie paragraaf 6.4).
6.4 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
Wanneer de inwoner van mening is dat de algemene voorziening onvoldoende ondersteunt, dan kan een melding worden gedaan voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp.
De maatwerkvoorziening wordt aangeboden voor het aantal uren dat nodig is om het huis ‘schoon en leefbaar’ te houden. Dit kan worden aangevuld met ‘extra uren voor medische beperking’ en/of ‘schone en draagbare kleding en beddengoed’. Dit leidt tot de volgende modules:
De consulent van Samen Doen bepaalt welke modules worden ingezet. In de beschikking wordt aangegeven welke modules en hoeveel uur zijn toegekend.
Bij de uren is uitgegaan van de rapporten van KPMG/Plexus en bureau HHM voor de gemeente Utrecht (normering van de basisvoorziening ‘schoon huis’, september 2016), Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning HHM (2019) en voor de gemeente Amsterdam (maatstaf hulp bij het huishouden, februari 2017).
Module 1: basisuren schoon en leefbaar huis
De taken binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Het gaat om een mix van de volgende activiteiten binnen de bovengenoemde vertrekken: stof afnemen, stofzuigen, dweilen, opruimen, reinigen van ramen binnen, keuken opruimen en schoonmaken, afwassen, bed verschonen en schoonmaken van het sanitair.
Wanneer een inwoner vanwege medische belemmeringen (bijvoorbeeld door ernstige fysieke beperkingen, medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is, of medische beperking die leiden tot een snellere vervuiling van het huis) extra noodzakelijke schoonmaak nodig heeft, dan wordt dit vanuit de maatwerkvoorziening ingezet (module ‘extra uren voor medische beperking’).
Module 2: extra uren voor medische beperking
Deze module kan alleen worden ingezet als ook de module ‘basis uren schoon en leefbaar huis’ is ingezet.
Bepaalde factoren kunnen ervoor zorgen dat er in individuele gevallen meer huishoudelijke hulp dan de basis uren noodzakelijk is. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
- •
- •
- •
- •
Module 3: schone en draagbare kleding, beddengoed
Ondersteuning vanuit dit resultaat voor het wassen van beddengoed en het beschikken over schone kleding wanneer de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoonhouden van zijn kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het wassen, het drogen, strijken van de bovenkleding, vouwen van de was en terugleggen van de was in de garderobekast. Deze module kan alleen worden ingezet als ook de module ‘basis uren schoon en leefbaar huis’ is ingezet.
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026 is in artikel 13 lid 2 onder e als voorwaarde opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, dat de voorziening ‘langdurig noodzakelijk’ moet zijn. Bij de verlening van hulp bij het huishouden bestaat een uitzondering op die voorwaarde. Kortdurende hulp bij het huishouden kan onder de Wmo 2015 vallen, bijvoorbeeld als er sprake is van een situatie waarbij jonge kinderen zijn betrokken of bij het aanleren van vaardigheden waardoor een inwoner meer zelfredzaam wordt.
De Wmo 2015 verplicht gemeenten om voldoende keuzevrijheid te waarborgen bij de inzet van gecontracteerde aanbieders (artikel 2.6.4 Wmo 2015). De inwoner heeft daardoor gedurende de looptijd van een maatwerkvoorziening de mogelijkheid om te wisselen tussen gecontracteerde aanbieders van diensten, zoals huishoudelijke ondersteuning. Voor de overstap geldt een opzegtermijn van één kalendermaand. Deze termijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner meldt de overstap bij de gemeente en stemt de overgang in overleg af met zowel de nieuwe aanbieder als de huidige aanbieder. De gemeente bewaakt de continuïteit van de ondersteuning.
Begeleiding is bedoeld voor inwoners die door beperkingen op lichamelijk, psychiatrisch, psychogeriatrisch, verstandelijk of zintuiglijk gebied niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, mantelzorg of hun sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of deel te nemen aan de maatschappij.
Begeleiding ondersteunt inwoners bij het vergroten van hun zelfredzaamheid en participatie, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Dit kan individueel of in groepsverband plaatsvinden.
Het onderzoek, zoals beschreven in Hoofdstuk 3, wordt op het gebied van begeleiding uitgebreid met een weging volgens de laatste versie van het “Normenkader Begeleiding” van Factum Advies en Bureau HHM. Het normenkader ondersteunt bij de bepaling van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning.
7.3.1 Bepaling vorm van begeleiding, omvang en frequentie
Bij het bepalen of een inwoner aangewezen is op individuele begeleiding, groepsbegeleiding of een combinatie daarvan, zijn de volgende factoren van belang:
- •
- •
- •
- •
- •
In het ondersteuningsplan wordt vastgesteld en onderbouwd welke vorm(en) van begeleiding nodig zijn, evenals de omvang en frequentie hiervan. Soms is een combinatie van individuele en groepsbegeleiding wenselijk. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat deze vormen van begeleiding niet altijd gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
Het oplossen van problematiek in het kader van de Wmo gebeurt in overleg met de inwoner, waarbij eigen regie centraal staat. Als een inwoner ervoor kiest om bepaalde problematiek niet aan te pakken, dan kan dat. Wel kan dit gevolgen hebben voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden. Als blijkt dat deze problematiek eerst opgelost moet worden om andere hulp effectief te maken, dan zal hier eerst aan gewerkt moeten worden voordat andere ondersteuning wordt ingezet.
Begeleiding individueel richt zich op activiteiten die de inwoner helpen bij het bevorderen van de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen omgeving kan blijven wonen. Bij individuele begeleiding gaat het niet om het overnemen van taken, maar om het ondersteunen van de inwoner bij het uitvoeren van deze taken.
Individuele begeleiding is nodig wanneer de inwoner door een beperking op lichamelijk, psychiatrisch, psychogeriatrisch, verstandelijk of zintuiglijk gebied niet in staat is om op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, mantelzorg of het sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of deel te nemen aan de maatschappij. Zelfredzaamheid betekent het vermogen om dagelijkse dingen zelfstandig te doen, goed te zorgen voor jezelf en sociale contacten te onderhouden. Het kan ook gaan om psychosociale zelfredzaamheid: het vermogen om goed te functioneren in het dagelijks leven, zowel thuis als in je vrije tijd of op school of werk.
Individuele begeleiding helpt de inwoner beter om te gaan met de uitdagingen in het leven en vergroot de mogelijkheden van de inwoner. De inwoner leert zelfstandiger te worden door nieuwe vaardigheden te oefenen en structuur aan te brengen in het dagelijks leven, het draagt bij aan het stabiliseren of verbeteren van de situatie.
De maatwerkvoorziening begeleiding individueel kent twee vormen: ontwikkelingsgericht en stabilisatiegericht.
7.4.1 Begeleiding individueel ontwikkelingsgericht
De maatwerkvoorziening begeleiding individueel ontwikkelingsgericht wordt ingezet met het doel om de zelfstandigheid van de inwoner zoveel mogelijk te vergroten. De inwoner en zijn omgeving leren vaardigheden om goed te kunnen deelnemen aan de samenleving, dagelijkse dingen zelf te doen en het persoonlijke leven goed te organiseren.
De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving.
Een inwoner kan ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
- •
- •
- •
- •
- •
De ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding wordt in eerste instantie voor maximaal twee jaar gegeven. Vóór het einde van deze periode wordt onderzocht of de begeleiding kan stoppen, voortgezet moet worden of dat een andere vorm van ondersteuning nodig is.
7.4.2 Begeleiding Individueel stabilisatiegericht
Bij stabilisatiegerichte begeleiding wordt de inwoner geholpen om op het hoogst haalbare niveau van zelfredzaamheid aan de samenleving te kunnen blijven deelnemen. Het doel is om stabiliteit te creëren, participatie te stimuleren en terugval te voorkomen. De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving.
Een inwoner kan stabilisatiegerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Begeleiding groep is bedoeld voor inwoners die (nog) niet kunnen deelnemen aan werk of school, ook niet met aanpassingen. Begeleiding groep wordt aangeboden in de vorm van dagactiviteiten. Ze bieden een zinvolle dag invulling, structuur en sociale contacten.
Daarnaast dragen ze bij aan de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner langer zelfstandig in zijn eigen omgeving kan blijven wonen. Begeleiding groep kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger.
De noodzakelijke begeleiding, zodat de inwoner kan deelnemen aan dagactiviteiten, is inbegrepen. Zo nodig kan een inwoner ook in aanmerking komen voor het vervoer van en naar de locatie.
Een inwoner kan begeleiding groep krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria:
- •
- •
De ondervonden beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke ondersteuning, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en vrijwilligers, dan wel met gebruikmaking van algemene (gebruikelijke) voorzieningen en met algemeen gebruikelijke zaken of diensten kan verminderen of wegnemen, en
- •
- •
- •
- •
- •
De maatwerkvoorziening begeleiding groep kent twee vormen: ontwikkelingsgericht en belevingsgericht.
7.5.1 Begeleiding Groep ontwikkelingsgericht
Begeleiding groep ontwikkelingsgericht is gericht op het ontwikkelpotentieel van de inwoner op lange(re) termijn. Het doel is gericht op uitstroom naar een vervolgplek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk óf een onderwijs- of opvangplek. Met begeleiding groep wordt gewerkt aan het aanleren van (werk)vaardigheden ter bevordering van zelfredzaamheid en participatie. Er wordt gewerkt aan persoonlijke ontwikkeling en inzet op maximaal haalbare in een arbeidsmatige omgeving of het behalen van een hogere trede op de participatieladder.
Waar nodig is begeleiding groep ontwikkelingsgericht ondersteunend aan behandeling en gericht op herstel. De inzet is groepsgericht, de sociale interactie in een groep; het leren van elkaar, steun ervaren en tips krijgen wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt.
Een inwoner kan begeleiding groep ontwikkelingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria:
- •
De inwoner heeft ondersteuning en groepsbegeleiding nodig om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten (als er nog geen startkwalificatie is of er zonder scholing geen kans is op de arbeidsmarkt) en te profiteren van effecten op zijn welbevinden en welzijn, en
- •
- •
7.5.2 Begeleiding Groep belevingsgericht
Begeleiding groep belevingsgericht richt zich op dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven. Er wordt gewerkt aan het verkrijgen en onderhouden van sociale contacten en aan het versterken van het sociaal netwerk. De dagactiviteiten zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Activiteiten zijn bijvoorbeeld wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Deze dagactiviteiten zorgen voor sociale contacten en voorkomen dat iemand geïsoleerd raakt. De begeleiding groep belevingsgericht kan ook worden ingezet om de mantelzorger te ontlasten.
Een inwoner kan begeleiding groep belevingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria:
- •
- •
- •
- •
- •
7.5.4 Stages en begeleiding richting dagbesteding
De gemeente kan in bijzondere gevallen een stageplek vergoeden vanuit de Wmo. Dit geldt voor leerlingen in de laatste fase van het praktijkonderwijs (PRO) en het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) met uitstroomprofiel dagbesteding. Deze laatste fase bestaat uit een transitiestage, die de overgang van school naar dagbesteding ondersteunt.
De stage-instelling biedt deze leerlingen, begeleiding die overeenkomt met begeleiding groep ontwikkelingsgericht: gericht op het versterken van (werk)vaardigheden, persoonlijke ontwikkeling, zelfredzaamheid en participatie.
Eindstages van leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding kunnen vanaf 17 jaar vanuit de Wmo worden bekostigd, mits de leerling geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, zoals de Wlz.
De Wmo 2015 verplicht gemeenten om voldoende keuzevrijheid te waarborgen bij de inzet van gecontracteerde aanbieders (artikel 2.6.4 Wmo 2015). De inwoner heeft daardoor gedurende de looptijd van een maatwerkvoorziening de mogelijkheid om te wisselen tussen gecontracteerde aanbieders van diensten, zoals begeleiding. Voor de overstap geldt een opzegtermijn van één kalendermaand. Deze termijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner meldt de overstap bij de gemeente en stemt de overgang in overleg af met zowel de nieuwe aanbieder als de huidige aanbieder. De gemeente bewaakt de continuïteit van de ondersteuning.
Hoofdstuk 8: Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Dit hoofdstuk is gebaseerd op artikel 13 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026: Aanvullende criteria Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.
Maatwerkvoorzieningen binnen beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn erop gericht om inwoners tijdelijk te ondersteunen en toe te werken naar herstel en zelfstandigheid. De ondersteuning is kortdurend van aard, niet langer dan noodzakelijk en gericht op het vergroten van de eigen regie.
In alle voorzieningen is sprake van een ketengerichte aanpak. Samen met de inwoner wordt gewerkt aan het versterken en onderhouden van een passend netwerk. Dit helpt bij het toewerken naar een stabiele woonsituatie en het verminderen van afhankelijkheid van hulp.
De verschillende maatwerkvoorzieningen worden in de volgende paragrafen verder toegelicht.
Om in aanmerking te komen voor beschermd wonen geldt dat de inwoner intensieve begeleiding en toezicht nodig heeft om stabiel te kunnen functioneren. Daarbij moet er sprake zijn van ontwikkelmogelijkheden.
Bij beschermd wonen verblijft de inwoner in een accommodatie van een instelling. Er is sprake van psychische of psychosociale problemen, waardoor iemand zich niet zelfstandig in de samenleving kan redden.
De begeleiding en het toezicht zijn gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en het stimuleren van participatie. De inwoner kan te maken hebben met meerdere en complexe problemen, zoals verslaving of een (lichte) verstandelijke beperking.
Er zijn twee vormen van toezicht mogelijk:
- •
- •
Begeleiders hebben een signalerende functie en onderhouden regelmatig contact met de inwoner. Behandeling maakt geen deel uit van deze voorziening.
Toegangscriteria beschermd wonen:
De inwoner heeft een indicatie op basis van het “Beoordelingskader Beschermd Wonen Regio IJsselland”;
- •
- •
Beschermd thuis is en onderdeel van Beschermd Wonen bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen. Wonen en begeleiding zijn daarin niet meer gekoppeld, zoals dat binnen Beschermd Wonen wel het geval is. Er is sprake van intensieve begeleiding en bereik- en beschikbaarheid buiten kantooruren. De hulpvraag moet iets kunnen worden uitgesteld. De criteria en invulling van dit product kunnen nog worden aangepast, omdat het product in ontwikkeling is. Het wordt binnen de gemeente Hardenberg vormgegeven met een aantal zorgaanbieders.
Toegangscriteria beschermd thuis:
- •
- •
- •
Deze voorziening is bedoeld voor mensen die dakloos zijn of dreigen te worden en zelf geen oplossing hebben voor onderdak. Mogelijke oorzaken zijn:
- •
- •
- •
- •
- •
Maatschappelijke opvang is tijdelijk en gericht op een snelle doorstroom naar een eigen woning of andere passende woonvorm. De begeleiding wordt geboden door de maatschappelijke opvanginstelling.
De maatschappelijke opvang voor de regio IJssel-Vecht is gevestigd in Zwolle en wordt gecoördineerd via de Centrale Toegang van de GGD IJsselland.
Centraal binnen de regio is ‘De Herberg’ in Zwolle de voorziening voor nachtopvang voor dak- en thuislozen. In Hardenberg is er ook sprake van een noodvoorziening die in geval van crisis ingezet kan worden.
Toegangscriteria maatschappelijke opvang:
- •
- •
- •
Housing first is een aanpak waarbij eerst een woning wordt geboden aan dakloze mensen met meervoudige problemen. Nadat een periode van gewenning en rust volgt intensieve, ambulante begeleiding. Dit is een omgekeerde benadering van de traditionele ‘woonladder’ en heeft zich bewezen als effectieve methode in het tegengaan van dakloosheid. Toegangscriteria Housing first:
- •
- •
- •
Naast beschermd en begeleid wonen kunnen ook aanvullende producten worden afgegeven in de vorm van modules:
- •
Dagbesteding binnen een toekenning voor beschermd wonen is een structurele tijdsbesteding met een concreet en goed omschreven doel waarbij de inwoner actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Onder dagbesteding wordt niet verstaan een reguliere dag structurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke. Als er voorliggende mogelijkheden zijn (opleiding, een traject toeleiding naar werk, betaald of vrijwilligerswerk), dan dienen deze mogelijkheden eerst te worden onderzocht en zo mogelijk ingezet.
- •
- •
- •
Voor het beoordelen van de toegang tot beschermd wonen wordt gebruikgemaakt van het “Beoordelingskader Beschermd Wonen Regio IJsselland”. Hierin staan de voorwaarden en eisen zoals die vanaf 1 juli 2023 gelden voor regionaal ingekochte producten.
De toegang tot maatschappelijke opvang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang MO van de regio IJssel-Vecht.
Binnen beschermd wonen is de gemeente van herkomst verantwoordelijk voor het bieden van zorg (woonplaatsbeginsel). Dit woonplaatsbeginsel is landelijk nog niet vastgesteld, maar binnen de regio IJssel-Vecht wordt hier wel mee gewerkt in het kader van de landelijke toegankelijkheid. Op basis van die afspraken blijft de herkomstgemeente verantwoordelijk voor de zorg aan die inwoner. Dat moet wel gebeuren in afstemming met de wensgemeente. In onderling overleg kan de zorg en de verantwoordelijkheid na 1 jaar overgedragen worden aan de wensgemeente.
Inwoners uit de regio IJssel-Vecht hebben binnen de regio vrije keuze als het gaat om de gewenste woonplek binnen de regio. De herkomstgemeente blijft ook in deze situatie verantwoordelijk voor de zorg aan de desbetreffende inwoner als deze in een andere gemeente binnen de regio verblijft. Het is de bedoeling dat de inwoner terugkeert naar de gemeente van herkomst.
Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen
In artikel 11, 12 en 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 zijn bepalingen opgenomen over wanneer een inwoner in aanmerking kan komen voor een woonvoorziening. Deze regels worden in dit hoofdstuk verder toegelicht.
De Wmo 2015 stelt dat de gemeente de zelfredzaamheid en participatie van haar inwoners met een beperking en/of psychisch en/of psychosociaal probleem moet bevorderen, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. Ook minderjarigen en mensen met een Wlz-indicatie die thuis wonen, kunnen problemen hebben met hun zelfredzaamheid en participatie. Met ‘zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen’ wordt bedoeld dat inwoners zo lang mogelijk extramuraal moeten kunnen blijven wonen. Dit betekent niet dat dit in de huidige woning moet plaatsvinden.
Uitgangspunt is dat iedere inwoner zelf voor een eigen woning moet zorgen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning.
Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions), intramurale Wlzinstellingen en intramuraal vanuit een beschermd wonen indicatie, vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’.
In het algemeen geldt dat een woonvoorziening langdurig nodig moet zijn. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, zoals een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen.
De gemeente kan woonvoorzieningen verstrekken aan een inwoner in de vorm van een woningaanpassing en/of hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen. Tijdens het onderzoek wordt eerst gekeken of de inwoner met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen. Zie hiertoe hoofdstuk 3.
Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan dat de inwoner gebruik kan maken van elementaire woonfuncties van zijn woning. Voorbeelden van elementaire woonfuncties zijn:
- •
- •
- •
- •
- •
Daarbij geldt dat er een direct verband moet bestaan tussen de beperkingen die de inwoner ondervindt en één of meer bouwkundige of woon technische kenmerken van de woning, bijvoorbeeld de trap, het bad, drempels, de keuken of de breedte van de deuropeningen. Ook moeten de beperkingen de inwoner belemmeren in het toegang verkrijgen tot en/of gebruik maken van essentiële woonruimten. Hobby- en recreatieruimten vallen hier niet onder, tenzij de woning of één van de essentiële woonruimten uitsluitend via (een van) deze ruimten te bereiken is. Er worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutische baden.
Wanneer een beperking optreedt, dan zijn er twee mogelijkheden:
- 1.
- 2.
Als uit onderzoek blijkt dat de inwoner, niet met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen, kan de gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekken. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de in redelijkheid te verwachten ontwikkelingen.
Bij een woonvoorziening kan het om losse voorzieningen gaan, maar ook om bouwkundige aanpassingen. Losse voorzieningen gaan doorgaans voor op bouwkundige aanpassingen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift.
Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die niet aard- en nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een tillift). Dit wordt ook wel ‘roerende woonvoorzieningen’ genoemd.
Deze losse (roerende) woonvoorzieningen worden als uitgangspunt in natura verstrekt op basis van bruikleen. Deze kunnen opnieuw ingezet worden waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. De gemeente vergoedt na verstrekking ook de kosten van onderhoud, keuring en reparatie.
Voor het aanschaffen van een losse (roerende) woonvoorziening kan op verzoek van de inwoner een Persoonsgebonden budget (Pgb) worden verstrekt. Voor het bepalen van het budget, zie hiertoe hoofdstuk 12.13.
Onder bouwkundige voorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die aard- en nagelvast aan het huis vast zitten.
Bij bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt de gemeente altijd met een Programma van Eisen (PvE), met uitzondering van kleine aanpassingen.
Dit PvE wordt opgesteld door een medewerker van Samen Doen of een extern adviseur, die bij complexe bouwkundige aanpassingen om advies kan worden gevraagd. Op basis van het PvE wordt bij grote/complexe woningaanpassing een bestek opgesteld. Dit is ter beoordeling van Samen Doen. Aan de hand van het bestek worden door de inwoner offertes opgevraagd. De gemeente beoordeelt welke offerte als basis geldt voor het vaststellen van de kosten van de woonvoorziening.
Wanneer het om een huurwoning gaat, geldt het Convenant Wmo tussen Vechtdal Wonen en gemeente Hardenberg en de onderliggende werkafspraken.
9.4 Aanvullende criteria woonvoorziening
Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening moet de inwoner, behalve aan de algemene criteria voor een maatwerkvoorziening (zie hoofdstuk 5), ook aan een aantal specifieke criteria voldoen. Het gaat hierbij om de criteria zoals genoemd in artikel 15 lid 1 onder a en b van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026:
- •
Er is sprake van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag; Een zelfstandige woonruimte heeft in ieder geval een eigen toegangsdeur die op slot kan, keuken en wc. Sinds 1 maart 2024 moet de woning ook een eigen douche of badkamer hebben. Intramurale WLZ-instellingen vallen niet onder het begrip zelfstandige woning’.
- •
9.5 Weigeringsgronden woonvoorziening
De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening in een aantal situaties. Deze weigeringsgronden staan in artikel 15 lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 en worden hierna beschreven:
> De inwoner heeft niet zijn hoofdverblijf in de aan te passen woning.
De inwoner moet wonen in de woning die hij wil laten aanpassen en hij moet hier zijn hoofdverblijf hebben. Als dat niet zo is, kan een woonvoorziening worden geweigerd.
> Als het gaat om woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning.
Hierbij gaat het om woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen, zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions.
> Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat.
Voorzieningen worden immers individueel toegekend. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt.
Een aantal voorzieningen kunnen echter wel in gemeenschappelijke ruimten worden verstrekt, zoals:
- •
- •
- •
- •
Aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van doelgroepengebouwen worden geweigerd. Een woonvoorziening kan algemeen gebruikelijk zijn voor een doelgroepengebouw. Dit betekent dat de kosten voor de voorziening voor de eigenaar van het gebouw zijn. Een voorziening voor een doelgroepengebouw is algemeen gebruikelijk als deze onmisbaar is voor de doelgroep. Dit is ook van toepassing op gebouwen die niet specifiek bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door de doelgroep wordt bewoond.
> De inwoner vraagt om een woonvoorziening terwijl hij in een nieuwbouwwoning of gerenoveerde woning woont en de woonvoorziening zonder veel meerkosten aangebracht had kunnen worden;
Het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor aanpassingen in bijvoorbeeld de keuken of badkamer is mogelijk. Bij een bouw of renovatie van een woning kan het zijn dat dergelijke aanpassingen zonder (al te veel) meerkosten kunnen worden meegenomen waardoor geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. Denk aan de situatie waarin een inwoner bouwt of renoveert en voor een vergoeding in aanmerking wenst te komen op grond van de wet, terwijl het geen meerkosten met zich meebrengt. Dat wil zeggen dat bij de bouw en renovatie rekening kan worden gehouden met de kosten van een geschikte keuken of badkamer.
> De beperkingen van de inwoner in het normale gebruik van zijn woning zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt, slechte staat van onderhoud of omstandigheden dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
De gemeente hoeft de kosten van een woningaanpassing niet te betalen als de beperkingen van de inwoner worden veroorzaakt door de aard van het materiaal in de woning. Dit moet blijken uit een extern advies.
De gemeente hoeft ook geen woonvoorziening te verstrekken als de problemen van de inwoner worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen, tenzij:
- •
- •
Er vanwege de gezondheidstoestand van de inwoner er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op het wegnemen van de beperkingen. Als uit medisch onderzoekt blijkt dat er sprake is van onverwacht optredende meerkosten waarvoor een inwoner niet heeft kunnen sparen, kan de gemeente wel een woonvoorziening verstrekken.
Vorenstaande moet zorgvuldig worden onderzocht door een onafhankelijk (extern) adviseur.
> De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning naar een ongeschikte woonruimte;
Als een inwoner verhuist vanuit een woning die geschikt was naar een woning die niet geschikt is, hoeft de gemeente geen woonvoorziening te verstrekken. Dit is anders als er een belangrijke reden was voor de verhuizing. Om te bepalen of de vorige woning geschikt was doet de gemeente onderzoek naar de geschiktheid van de vorige woning. Als een inwoner verhuist vanwege een ‘normale wooncarrière’ kan mogelijk wel een woonvoorziening worden verstrekt. Wel moet dan verhuisd worden naar de meest geschikte woning. Er kan natuurlijk wel een andere weigeringsgrond van toepassing zijn. Ook als een inwoner verhuist naar een niet-adequate woning, maar als de gemeente toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, dan verstrekt de gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening. Voordat een inwoner gaat verhuizen, mag van hem verwacht worden dat hij eerst contact opneemt met de gemeente.
Wanneer de inwoner in een WLZ-instelling woont (daar zijn hoofdverblijf heeft), kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van de ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Het moet dan wel zo zijn dat er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt.
Bezoekbaar houdt in dat de inwoner:
- •
- •
- •
Er worden geen aanpassingen verricht en vergoed om het logeren mogelijk te maken. Bij gescheiden ouders wordt alleen de woning aangepast waar het kind het meest verblijft (hoofdverblijf).
De inwoner kan hiervoor maximaal het bedrag, zoals genoemd in het Financieel besluit Wmo en Jeugd Hardenberg, toegekend krijgen.
De gemeente verstrekt in het geval ondersteuning nodig is in het kader van de Wmo 2015 altijd de goedkoopst compenserende voorziening. In het geval van een woonvoorziening kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van ‘het primaat van verhuizen’ zijn. Het ‘primaat van verhuizen’ houdt in dat de gemeente een inwoner vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Dit kan het geval zijn als de woning niet adequaat is en niet adequaat te maken is. Als de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ toepast, ontvangt de inwoner éénmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding is bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de inwoner wordt dan niet aangepast.
9.7.1 Criterium ‘primaat van verhuizen’
Het ‘primaat van verhuizen’ kan pas worden toegepast als de totale kosten van de benodigde woningaanpassing(en) meer bedragen dan het bedrag dat is vastgelegd in het geldende Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg 2026.
Het toepassen van het ‘primaat van verhuizen’ is geen automatisme. Voordat de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt en overgaat tot het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding, maakt de gemeente een belangenafweging. Dat de belangenafweging erg zwaar is, is niet vreemd vanwege het feit dat toepassing van het ‘primaat van verhuizen’ een behoorlijk ingrijpende gebeurtenis in het leven van een inwoner is. Er moeten soms veel belangen worden afgewogen, afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Als de gemeente na afweging van de belangen tot de conclusie komt dat er een passende woning voorhanden is, dan kan de gemeente de inwoner compenseren door een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is neergelegd in het Financieel Besluit Wmo en jeugd Hardenberg.
Als er geen passende woning aanwezig is, wil dat echter niet zeggen dat het ‘primaat van verhuizen’ niet kan worden toegepast. De gemeente heeft de mogelijkheid om, naast een verhuiskostenvergoeding, ook noodzakelijke woningaanpassingen te verstrekken, waardoor het ‘primaat van verhuizen’ in geval van een woning die niet passend is, toch kan worden toegepast omdat de niet-passende woning passend wordt gemaakt. De woningaanpassing aan de niet-passende woning wordt dan vergoed.
In het geval de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt, moet er wel een beschikbare woning zijn. De gemeente heeft de taak om te bekijken of er een woning beschikbaar is binnen de medisch aanvaardbare termijn. Voor de vraag of er een passende woning beschikbaar is of komt, overlegt de gemeente met de woningcorporatie. De gemeente hoeft niet te bemiddelen bij het verkrijgen van een andere woning.
9.7.4 Medisch aanvaardbare termijn
Om te weten wat in een individuele situatie de medisch aanvaardbare termijn is, vraagt de gemeente een medisch advies op. Beoordeeld moet worden binnen welke termijn er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn. Dat zal per situatie verschillen en moet blijken uit het medisch advies.
9.7.5 Inwoner wil niet verhuizen
De gemeente past het ‘primaat van verhuizen’ niet dwingend toe. Als een inwoner niet wil verhuizen terwijl het ‘primaat van verhuizen’ wel kan worden toegepast, kent de gemeente de inwoner een verhuiskostenvergoeding toe. De inwoner kan die verhuiskostenvergoeding besteden aan het aanpassen van de huidige woning volgens het opgestelde programma van eisen. Als de gemeente een verhuiskostenvergoeding toekent terwijl de inwoner niet verhuist, worden afspraken gemaakt met de inwoner. De gemeente compenseert in dat geval geen nieuwe beperkingen in het normale gebruik van de woning meer, tenzij het gaat om beperkingen in het normale gebruik van de woning die ook zouden zijn opgetreden als de inwoner wel zou zijn verhuisd naar de passende woning.
Een uitraasruimte is een maatwerkvoorziening in de vorm van een verblijfsruimte waarin een inwoner die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Vanwege de beperking, de gedragsstoornis van de inwoner, zal de ruimte beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer: het tot rust laten komen. De ruimte moet dus prikkelarm en veilig zijn, en zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken.
Op basis van een deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) wordt op individuele basis vastgesteld of een uitraaskamer noodzakelijk is en aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk worden bestaande ruimtes aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraasruimte nodig is.
Een uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn.
Hoofdstuk 10: Rolstoelvoorziening
De gemeente kan een inwoner een (aanpassing op een) rolstoel verstrekken als de inwoner zich niet goed kan verplaatsen in en om zijn woning en daardoor beperkingen heeft bij:
- •
- •
De gemeente verstrekt een inwoner een (aanpassing aan een) rolstoel als de rolstoel bedoeld is voor dagelijks zittend gebruik en de inwoner zich daarmee in en om zijn woning kan verplaatsen. Dat betekent dat het vooral gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning van de inwoner worden gedaan. Het gaat om inwoners die een rolstoel nodig hebben omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin iemand niet in staat is om zelfstandig korte afstanden af te leggen, ook niet met een loophulpmiddel.
Het hoeft niet zo te zijn dat de inwoner de hele dag is aangewezen op zittend verplaatsen. Als de inwoner bijvoorbeeld wel een bepaalde afstand lopend (bijvoorbeeld 100 meter) kan afleggen, maar daarna is aangewezen op zittend verplaatsen, dan kan een rolstoelvoorziening nodig zijn. Het moet dan wel duidelijk zijn dat andere loophulpmiddelen (zoals een rollator of trippelstoel) geen oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem.
10.1.1 Kortdurende noodzakelijkheid
In principe komen alleen inwoners die door de aard van hun beperking of probleem langdurig op een rolstoel zijn aangewezen hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo 2015. Als een inwoner maximaal 6 maanden een rolstoel nodig heeft, dan kan deze verstrekt worden op grond van de Zorgverzekeringswet.
Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zorgverzekeringswet. Een rolstoel voor incidenteel gebruik kan geleend worden bij een thuiszorgwinkel voor de duur van maximaal 6 maanden. Na deze 6 maanden kunnen inwoners gebruik maken van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.
De gemeente kan door een (medisch) onderzoek bepalen of er een rolstoel nodig is. De gemeente onderzoekt welke soort rolstoel het beste past bij de inwoner. Bij het selecteren van een soort rolstoel wordt ook gekeken hoe de rolstoel wordt bewogen. Bij het selecteren van bijvoorbeeld een duwrolstoel kijkt de gemeente of de begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de inwoner in een rolstoel voort te duwen.
10.1.4 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de rolstoel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle elektrische rolstoelen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Rolstoelen worden niet gekeurd.
Door de leverancier worden elektrische rolstoelen WA verzekerd.
10.2 Inwoners met een Wlz-indicatie
Inwoners met een Wlz-indicatie kunnen een beroep doen op de Wmo 2015, afhankelijk van hoe hun zorg wordt geleverd. Wanneer iemand in een instelling woont (Wlz met leveringsvorm verblijf), is de gemeente niet verantwoordelijk voor het verstrekken van bepaalde Wmo-voorzieningen. De gemeente verstrekt dan bijvoorbeeld geen rolstoel aan deze persoon, omdat dit binnen de Wlz wordt geregeld.
Als een inwoner een Wlz-indicatie heeft en thuis woont, (Wlz leveringsvormen mpt en vpt), kan hij wél in aanmerking komen voor een Wmo-voorziening. In dat geval is het mogelijk om bijvoorbeeld een rolstoel te ontvangen via de gemeente, als daar een duidelijke noodzaak voor is.
Als er reden is om aan te nemen dat een inwoner wel aanspraak kan maken op een Wlzindicatie, maar de inwoner niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het CIZ, dan verstrekt de gemeente ook geen maatwerkvoorziening.
Een sporthulpmiddel wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg. Het bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar voor een nietelektrisch aangedreven sportvoorziening. Voor een elektrische aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van zes jaar.
Het sporten moet een structureel karakter hebben. De sport wordt al gedurende minimaal 4 maanden beoefend en is passend.
Sportrolstoelen voor topsport moeten worden verstrekt uit sponsoring of uit eigen middelen. Sportrolstoelen of andere sport gebonden hulpmiddelen die worden gebruikt om therapeutische doelen te bereiken vallen onder de Zorgverzekeringswet. Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding als de voorziening op grond van aanpalende wet- en regelgeving zoals de Zvw of Wlz wordt vergoed.
Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Hoofdstuk 11: Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met een beperking kunnen meedoen in de samenleving en gebruik kunnen maken van maatschappelijk vervoer. Zo helpt de gemeente om eenzaamheid of isolement te voorkomen. Dit betekent dat een inwoner, ondanks zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015, net zoals anderen in aanvaardbare mate:
- •
- •
- •
- •
- •
Om te bepalen welke hulp nodig is, stelt de gemeente de vervoersbehoefte van de inwoner vast. Hierbij bekijkt de gemeente de individuele situatie van de inwoner en zijn behoeften, voorkeuren en persoonskenmerken. De gemeente kijkt hierbij naar de beperkingen van de inwoner, maar ook naar waar de inwoner naar toe wil gaan en waarom hij hiernaartoe wil gaan. Daarnaast wordt ook gekeken naar zaken als de leeftijd van de inwoner en de daarbij passende behoeften, de gezinssamenstelling van de inwoner en bijvoorbeeld de aanwezigheid van jonge kinderen.
De vervoersbehoefte moet aantoonbaar gericht zijn op:
- •
- •
- •
Om de vervoersbehoefte van een inwoner te bepalen gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat niet zo ver dat de inwoner in dezelfde of misschien een betere positie gebracht wordt dan vóór de ondersteuning. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de inwoner was vóór hij de ondersteuning nodig had (CRvB 18-05-2016, ECLI:NL: CRVB:2016:1402).
11.3 Reikwijdte en omvang lokaal verplaatsen
Een vervoersvoorziening is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Onder lokaal verplaatsen wordt verstaan: een afstand van maximaal 25 kilometer van het woonadres van de inwoner. De gemeente hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Verder mag de gemeente volstaan met een voorziening waarmee de inwoner 1.500 kilometer per jaar kan reizen. Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat dit zo is.
Een inwoner betaalt per rit (lokaal of regionaal) een reizigersbijdrage die is vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg.
Voor bovenregionale verplaatsingen kan een inwoner een beroep doen op Valys. Zie hoofdstuk 11.6
De gemeente kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een vervoersvoorziening als een inwoner een beperking heeft zoals bedoeld in de Wmo 2015 en daardoor niet goed kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Deze beperking kan dan niet worden verminderd of weggenomen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen, via het sociale netwerk (zoals hulp van buren), of met het openbaar vervoer. Zie hiervoor ook hoofdstuk 3 over het onderzoek.
Een mogelijkheid voor de inwoner is om gebruik te maken van het collectief vervoer. Uitgangspunt is dat het vraagafhankelijk vervoer geschikt is voor lokale verplaatsingen. Het collectief vervoer wordt vaak ingezet voor verplaatsingen naar bestemmingen waar afspraken over gemaakt kunnen worden met anderen. Denk hierbij aan sociale contacten, maar ook aan een ziekenhuisbezoek. In de meeste gevallen zal het collectief vervoer de goedkoopst compenserende voorziening zijn. Hierdoor wordt vaak, als het collectief vervoer passend is voor de inwoner, voorrang gegeven aan het gebruik van deze voorziening boven andere maatwerkvoorzieningen. Een eventuele wachttijd voor het brengen en ophalen met het collectief vervoer is niet een reden om het collectief vervoer als niet passend te zien voor een inwoner. Ook het niet samen kunnen reizen met het gezin hoeft niet te betekenen dat het collectief vervoer niet passend is, als een gezamenlijke bestemming nog wel bereikt kan worden.
De gemeente is van mening dat de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening in vrijwel alle gevallen het vraagafhankelijk collectieve vervoer is.
Als uit onderzoek blijkt dat de beperkingen van een inwoner ten aanzien van het verplaatsen niet kunnen worden weggenomen door gebruikmaking van de Wmo-vervoer, kan er een pgb verstrekt worden voor de kosten van het aanpassen van de eigen auto. De noodzaak van de aanpassing moet wel zijn vastgesteld en het betreft geen aanpassing die algemeen gebruikelijk is (zie voor het begrip algemeen gebruikelijk hoofdstuk 4).
Een auto-aanpassing wordt aangebracht op een door de inwoner zelf aangeschafte auto. Hierbij wordt ook gekeken naar de technische staat van de auto en hoe oud de auto is. Is een auto ouder dan 7 jaar, dan verstrekt de gemeente in principe geen auto-aanpassing meer.
Een plateaulift wordt pas verstrekt nadat uit een extern advies is gebleken dat de specifieke aanpassing aan de personenbus noodzakelijk is om de inwoner te vervoeren.
Als afschrijvingstermijn wordt een periode van 7 jaar gehanteerd.
11.8 Vergoeding voor gebruikskosten eigen auto of (rolstoel)taxi
Als een inwoner door aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, kan de gemeente een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de gebruikskosten van een eigen auto of (rolstoel)taxi als dit aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten. Het moet daarbij gaan om meerkosten die voortkomen uit de beperking en die hoger zijn dan wat voor iedereen gebruikelijk is. Deze tegemoetkoming wordt verstrekt als het medisch is vastgesteld dat het gebruik van eigen vervoer of een taxi noodzakelijk is.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt berekend op basis van maximaal 1.500 kilometer per jaar, vermenigvuldigd met de kilometerprijs voor de variabele kosten van een middenklasse auto, zoals vastgesteld in de geldende ‘Prijzengids Nibud’. Het exacte bedrag wordt jaarlijks opgenomen in het ‘Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg’ en wordt éénmaal per jaar verstrekt. Voor huishoudens waarin de vervoersbehoeften van meerdere personen niet samenvallen, geldt een maximum van anderhalf keer dit bedrag.
De gemeente kan de inwoner een maatwerkvoorziening (een vervoersvoorziening) in de vorm van een scootmobiel verstrekken als dit de goedkoopst compenserende oplossing is voor de beperkingen van de inwoner, als hij voldoende rijvaardig is en als er een stalling aanwezig is of kan worden gemaakt.
Wat betreft de beperkingen van de inwoner, moet er sprake zijn van een loopbeperking van langdurige aard waardoor met gebruikelijke loophulpmiddelen (rollator, wandelstok) een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten niet te overbruggen is.
Een scootmobiel kan worden geïndiceerd als een inwoner een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving heeft en de scootmobiel bijdraagt aan participatie en dreigende vereenzaming voorkomt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een inwoner met een scootmobiel zelf kan winkelen, familie kan bezoeken en andere vormen van vrijetijdsbesteding heeft.
De scootmobiel is bedoeld voor het compenseren van een vervoersprobleem op de korte en middellange afstanden. De maximumsnelheid van een scootmobiel is 15 kilometer per uur en de actieradius is 20 – 40 kilometer.
In principe worden alleen de scootmobiel types zoals vermeld op de prijslijst van de leverancier verstrekt. Een zwaarder of sneller model is voor eigen rekening.
Een opvouwbare scootmobiel wordt niet verstrekt, omdat deze niet geschikt is voor zelfstandig gebruik over korte en middellange afstanden. Het opvouwbare karakter veronderstelt dat de scootmobiel per auto naar een bestemming wordt vervoerd, wat strijdig is met het doel van de voorziening: zelfstandig lokaal vervoer vanuit de woning van de inwoner.
Bij aflevering van elektrische hulpmiddelen, waaronder een scootmobiel, krijgt de inwoner een gewenning/instructie les van maximaal 60 minuten. Zodat de inwoner veilig en adequaat gebruik kan maken van het hulpmiddel. Als RSR na de gewenningsles een inschatting maakt dat de scootmobiel niet veilig gebruikt kan worden, doet RSR hiervan een melding aan de gemeente. De gemeente maakt dan de afweging of een scootmobiel wel een verantwoorde passende voorziening is voor de inwoner.
Als een extra rijles noodzakelijk is om een inwoner veilig te laten participeren met de scootmobiel, kan de inwoner een rijles volgen bij de daarvoor aangewezen ergotherapeut. Als er geen ergotherapeut betrokken en/of beschikbaar is kan de gemeente RSR de opdracht geven de rijlessen uit te voeren.
11.9.1 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de scootmobiel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle scootmobielen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Scootmobielen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de scootmobielen WA verzekerd.
Voor korte en middellange afstanden kan een fietsvoorziening worden toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een driewielfiets of een handbike zijn. Voor deze voorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. De voorziening wordt alleen verstrekt als deze de beperkingen bij het verplaatsen voldoende compenseert.
De fietsvoorziening wordt niet gecombineerd met een scootmobiel of een andere voorziening die ook bedoeld is voor korte en middellange afstanden. De gemeente verstrekt de voorziening die het beste past bij de vervoersbehoefte van de inwoner.
Een gewone tweewielfiets, met of zonder elektrische trapondersteuning en/of lage instap is een algemeen gebruikelijke voorziening. De inwoner wordt geacht deze zelf aan te schaffen.
11.10.1 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de fietsvoorziening zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden.
Alle elektrische fietsvoorzieningen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Fietsvoorzieningen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de elektrische (gemotoriseerde) fietsvoorzieningen WA verzekerd.
Hoofdstuk 12: Financieringsvormen maatwerkvoorziening
Wanneer een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, zijn er drie manieren waarop de gemeente de ondersteuning kan financieren:
- 1.
- 2.
- 3.
Financiële tegemoetkoming: de inwoner ontvangt een geldbedrag als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. In tegenstelling tot een Pgb hoeft een financiële tegemoetkoming niet precies toereikend te zijn (zie artikel 21 in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026)
Het belangrijkste verschil is wie de hulp organiseert. Bij ZIN doet de gemeente dat, bij één van de gecontracteerde aanbieders. Bij een pgb doet de inwoner dat zelf.
Een financiële tegemoetkoming wordt ingezet voor voorzieningen waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is, bijv. bij verhuiskosten en kosten van vervoer met de eigen auto. In dit hoofdstuk gaan we verder in op het pgb. Deze financieringsvorm vraagt meer van de inwoner, maar biedt ook keuzevrijheid en regie.
12.2 Informeren financieringsvorm
Als uit het onderzoek van Samen Doen blijkt dat iemand recht heeft op een maatwerkvoorziening, wordt de inwoner geïnformeerd over de keuze tussen zorg in natura of een pgb. Dit is wettelijk verplicht.
De consulent legt mondeling uit wat een pgb is, wat de voor- en nadelen zijn, en verwijst naar onafhankelijke cliëntondersteuning en de website van Per Saldo. De inwoner dient te motiveren waarom hij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wil.
12.3 Voorbereiding bewuste keuzegesprek
Vervolgens onderzoekt een pgb-specialist van Samen Doen of de inwoner (of zijn beheerder) het pgb goed kan beheren.
Samen Doen geeft vooraf de volgende documenten mee:
- •
- •
- •
Deze documenten moeten binnen 10 werkdagen worden ingevuld en teruggestuurd. Alleen dan kan het keuzegesprek plaatsvinden. De persoon die het pgb gaat beheren, moet hierbij aanwezig zijn.
Als de inwoner (of zijn pgb-beheerder) het budgetplan (of andere relevante formulieren) niet of niet volledig invult of niet meewerkt aan de gesprekken over het pgb wordt, na het bieden van een hersteltermijn, geen pgb verstrekt.
Tijdens het bewuste keuzegesprek bespreekt de pgb-specialist van Samen Doen met de inwoner of het passend is om de ondersteuning via een pgb te ontvangen. Dit gesprek is een wettelijke stap in de besluitvorming.
Er wordt getoetst of voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. Dat artikel noemt drie eisen:
- 1.
- 2.
- 3.
Deze drie voorwaarden worden zorgvuldig getoetst. Het bewuste keuzegesprek richt zich op zowel de motivatie van de inwoner als de praktische uitvoering van het pgb. Ook de kennis en vaardigheden van de inwoner of zijn vertegenwoordiger worden besproken. Daarbij kijkt de pgb-specialist of het realistisch is dat de ondersteuning met een pgb verantwoord geregeld kan worden.
Het oordeel van de pgb-specialist over het pgb beheer is leidend in het al dan niet toekennen van een pgb.
12.5 Het kiezen van een (geschikte) pgb-beheerder
De inwoner heeft, als deze niet zelf het pgb gaat beheren, de mogelijkheid om een pgbbeheerder aan te wijzen. Omwille van de administratieve lasten en continuïteit in het beheer van het pgb, gaat de gemeente ervan uit dat de inwoner een langdurige relatie aangaat met de pgb-beheerder en dat wijzigingen in pgb-beheerder tot een minimum beperkt blijft. Voorkeur gaat uit naar iemand die dicht bij de inwoner staat. Het betreft hier dan een eerste of tweedegraads familielid.
- •
- •
Als er geen eerste of tweedegraads familielid is die het pgb kan of wil beheren, dan mag iemand uit het sociale netwerk, zoals een vriend, buur of mentor, het beheer op zich nemen.
12.5.1 Mentor, curator, bewindvoerder
Als een mentor, curator of bewindvoerder het pgb gaat beheren, is het belangrijk dat alle taken die bij het pgb-beheer horen, worden uitgevoerd. Het is niet voldoende als alleen de financiële administratie wordt gedaan. De beheerder moet ook in staat zijn om de kwaliteit van de zorg te beoordelen, zodat de belangen van de inwoner goed worden behartigd. Als de bewindvoerder uitsluitend verantwoordelijk is voor de financiële administratie, dan moet er een andere persoon zijn die de overige taken van het pgb-beheer op zich neemt. Alle verantwoordelijkheden moeten dus altijd samen worden afgedekt.
De kosten voor het pgb-beheer mogen niet uit het pgb zelf worden betaald.
Een inwoner die een bewindvoerder, mentor of curator heeft of kiest om zijn pgb te beheren, kan te maken krijgen met kosten voor dit beheer. Deze kosten mag de vertegenwoordiger bij de inwoner in rekening brengen.
Als de inwoner onvoldoende inkomen en vermogen heeft om deze kosten zelf te betalen, kan hij bijzondere bijstand aanvragen. Bij de beoordeling van de noodzaak van de kosten zal getoetst worden of de gevraagde zorg wél via ZIN geleverd kan worden. Als blijkt dat de zorg in natura geleverd kan worden, dan is een pgb niet noodzakelijk maar een keuze. In dat geval moet de inwoner er rekening mee houden dat er géén bijzondere bijstand toegekend zal worden voor het beheren van het pgb.
Daarom is het belangrijk dat de inwoner goed wordt geïnformeerd vóórdat hij kiest voor een pgb met professioneel beheer. Als hij kosten gaat maken die hij niet kan dragen en die niet vergoed worden vanuit de Wmo of bijzondere bijstand, is het mogelijk beter om te kiezen voor zorg in natura.
12.5.3 Vereisten pgb-beheerder
Een pgb-beheerder moet betrouwbaar, onafhankelijk en goed bereikbaar zijn. Daarom gelden de volgende voorwaarden:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
12.5.4 Bekwaamheid pgb-beheerder
Een pgb kan alleen worden verstrekt wanneer de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is het budget op een verantwoorde manier te beheren. Dit betekent: het kunnen voeren van de administratie, het afsluiten van contracten, het inkopen van passende en veilige zorg en het afleggen van verantwoording.
Een pgb wordt niet verstrekt als er sprake is van één of meer van de onderstaande omstandigheden.
- •
- •
- •
- •
Aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis:
Beperkingen zoals dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of Korsakov kunnen maken dat iemand de gevolgen van keuzes niet overziet en daardoor het pgb niet verantwoord kan beheren. In die gevallen kan zorg in natura passender zijn.
- •
- •
- •
12.5.5 Check op pgb-vaardigheden
Een pgb kan alleen worden verstrekt als de inwoner of diens pgb-beheerder in staat is de bij het pgb horende taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit houdt in dat de pgbbeheerder:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Bij elke aanvraag of verlenging levert de inwoner of pgb-beheerder een volledig pgbbudgetplan in. Op basis van dit plan en de tien pgb-vaardigheidspunten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) beoordeelt de pgb-specialist of de beheerder bekwaam is. Deze vaardigheidspunten staan toegelicht in de infographic van VWS: Infographic toetsing 10 punten pgb-vaardigheid. Wanneer de benodigde vaardigheden aanwezig zijn, wordt aangenomen dat het pgb verantwoord beheerd kan worden.
12.6 Kwaliteit van de ondersteuning
De ondersteuning moet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Dit geldt zowel voor professionele als informele ondersteuning. Informele ondersteuning komt van iemand uit het sociale netwerk, zoals familie of buren. De pgb-specialist van Samen Doen toetst dit tijdens het bewuste keuzegesprek.
12.7 Het pgb-budgetplan en de onderbouwing van kwaliteit
Wanneer een inwoner zorg ontvangt via een pgb, is hij of zijn pgb-beheerder zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van deze zorg. De gemeente blijft echter toezien op goede ondersteuning. Daarom stellen we als voorwaarde dat er een pgb-budgetplan wordt ingevuld en ingeleverd. Samen Doen kan de inwoner helpen door een format van een budgetplan te verstrekken.
Het budgetplan bevat afspraken over:
- •
- •
- •
- •
Het budgetplan moet volledig worden ingevuld en ondertekend door:
- •
- •
De eisen aan het budgetplan staan in artikel 18 lid 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026. De pgb-specialist van Samen Doen controleert samen met de toezichthouder Wmo of het plan aan deze eisen voldoet en of het goed onderbouwd is. Deze controle geldt altijd, ongeacht of de ondersteuning informeel of formeel (professioneel) is.
12.8 Bewijsstuk omtrent gedrag (VOG)
Om veiligheid te waarborgen, moet een professionele zorgverlener een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen. Dit geldt ook voor bestuurders van zorgorganisaties. De VOG:
- •
- •
- •
Bij informele zorg (bijvoorbeeld door familie of een bekende) is een VOG niet verplicht. De inwoner of pgb-beheerder mag hier wel zelf om vragen.
De pgb-specialist controleert bij de toezichthouder Wmo of de VOG aanwezig is bij nieuwe aanbieders. Als een aanbieder al bekend is bij de gemeente én eerder is gescreend door de toezichthouder, hoeft dit alleen opnieuw te worden bekeken als daar aanleiding voor is (bijvoorbeeld signalen of vermoedens).
12.9 Bewijsstuk over deskundigheid: juiste diploma’s voor zorgverlening
Professionele zorgaanbieders moeten aantonen dat zij beschikken over de juiste opleiding of ervaring om de ondersteuning goed uit te voeren.
Welke opleiding nodig is, hangt af van het soort hulp en staat beschreven in bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026.
De toezichthouder Wmo controleert op verzoek van de pgb-specialist bij nieuwe of onbekende aanbieders of de diploma’s passend zijn. Dit voorkomt dat ondersteuning wordt ingezet die niet aan de gestelde eisen voldoet.
Bij aanbieders die eerder zijn gescreend door de toezichthouder, hoeft dit alleen opnieuw te worden bekeken als er twijfel of signalen zijn over de deskundigheid.
12.10 Beoordeling pgb geschiktheid
Tijdens het bewuste keuzegesprek beoordeelt de pgb-specialist of de inwoner, of zijn pgbbeheerder, voldoende in staat is om het pgb goed te beheren. Deze beoordeling gebeurt op basis van de eisen in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. De uitkomst van dit gesprek kan zijn:
- •
- •
De uitkomst en motivatie wordt gedeeld met de consulent van Samen Doen. Deze uitkomst wordt meegenomen in de beslissing over het al dan niet toekennen van een pgb. Als niet aan de Pgb-voorwaarden wordt voldaan, kan de voorziening alleen als zorg in natura (ZIN) worden toegekend.
12.11 Hoogte van het pgb voor diensten
Wanneer een pgb-budgethouder een hulpverlener in dienst neemt, is hij volledig werkgever. Dat betekent dat hij verantwoordelijk is voor het uitbetalen van het loon, het afdragen van sociale premies, loondoorbetaling bij ziekte en het naleven van arbeidsrechtelijke verplichtingen. Het pgb-tarief is daarom zo vastgesteld dat de hulpverlener na aftrek van werkgeverslasten minimaal het wettelijk minimumloon ontvangt.
De hoogte van het pgb-tarief is vastgesteld op basis van de AMvB Reële Tarieven, juridische uitspraken en adviezen van Bureau HHM en Per Saldo. Uitgangspunten hierbij zijn:
- •
- •
- •
- •
We maken verschil tussen twee soorten pgb-tarieven:
- 1.
- 2.
12.11.1 Formele/professionele hulp
De pgb-tarieven voor formele/professionele hulp worden opgebouwd op basis van de kostprijselementmethode van Bureau HHM en bevatten de volgende elementen:
- •
- •
- •
- •
- •
Tarieven worden per uur, dagdeel of minuut berekend, afhankelijk van het product.
12.11.2 Informele/niet-professionele hulp
Voor ondersteuning door personen uit het sociale netwerk geldt dat het pgb-tarief is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dit volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1380).
Omdat de budgethouder als werkgever wordt aangemerkt, is het tarief opgebouwd uit twee delen:
- 1.
- 2.
De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks door de gemeente vastgesteld in het financieel besluit, op basis van actuele landelijke cijfers en adviezen, onder meer van Per Saldo. Hiermee wordt geborgd dat het tarief toereikend is en dat de hulpverlener na aftrek van lasten minimaal het wettelijk minimumloon ontvangt.
12.11.3 Pgb tarieven niet toereikend
In sommige gevallen kan het blijken dat het vastgestelde pgb-tarief voor formele/ professionele hulp niet voldoende is om de noodzakelijke ondersteuning in te kopen. Op grond van individuele omstandigheden kan het pgb-tarief dan worden verhoogd, tot maximaal 100% van het ZIN-tarief. Een verhoging kan overwogen worden als:
- •
- •
- •
- •
De budgethouder of zijn vertegenwoordiger moet zelf goed onderbouwen waarom een hoger tarief nodig is.
12.13 Pgb voor niet-dienstverlenende voorzieningen
Een inwoner hoeft geen zorg- en budgetplan in te dienen als hij een pgb wenst voor een niet-dienstverlenende maatwerkvoorziening, zoals een woonvoorziening, rolstoel of vervoersvoorziening. Deze maatwerkvoorzieningen worden immers als éénmalig pgb toegekend. Er is geen sprake van een zorgovereenkomst en de SVB is ook niet betrokken.
Als de inwoner tijdens het onderzoek aangeeft een hulpmiddel of woningaanpassing als pgb te willen ontvangen, voert Samen Doen de toets uit op de pgb-vaardigheid. Wanneer de inwoner recht heeft op de maatwerkvoorziening en voldoende pgb-vaardig is, staat in de beschikking onder welke voorwaarden deze voorziening in pgb wordt toegekend.
- •
- •
- •
- •
- •
12.13.1 Hoogte pgb voor niet-dienstverlenende voorzieningen
Net als bij een pgb voor het inkopen van een dienst moet het pgb voor een hulpmiddel of een woningaanpassing toereikend zijn om het doel te realiseren. De hoogte van het pgb wordt gebaseerd op maximaal de kostprijs van de gecontracteerde hulpmiddelenleveranciers en/of de goedkoopste van minimaal twee offertes van aannemers (aangeleverd door de inwoner).
Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de voorziening, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar hij een onderhoudscontract afsluit en waar hij de voorziening verzekert. Het verzekeren van bijv. Een scootmobiel is verplicht op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering van een voorziening wordt vastgesteld aan de hand van een door de gemeente goedgekeurde offerte.
Het pgb-tarief voor voorzieningen wordt verstrekt als een all-in tarief. Dit betekent dat in het toegekende bedrag ook kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen. Voor het onderhoud wordt gerekend met een opslag van 4% per jaar van het netto aanschafbedrag.
Voor de verzekering, als dat voor de desbetreffende voorziening nodig is, wordt standaard € 75 per jaar meegenomen in het tarief.
12.13.2 Programma van Eisen (PvE)
In het PvE staat vast voor welk doel de maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend en waaraan de voorziening moet voldoen. Immers, deze wordt toegekend ten behoeve van het oplossen van een bepaalde ondersteuningsvraag. Als de inwoner een andere voorziening dan voorgesteld wil, kan hij daarvoor kiezen onder bepaalde voorwaarden: de voorziening roept geen (andere) belemmeringen op en de voorziening dient de beperking op hetzelfde niveau op te lossen als in het PvE wordt gesteld. Uiteraard dient de invulling ook van goede kwaliteit te zijn: veilig, doeltreffend en inwonergericht. Dat wil zeggen dat het hulpmiddel of de woningaanpassing aansluit bij datgene wat de inwoner nodig heeft, daadwerkelijk de ondersteuningsbehoefte voldoende oplost en ook veilig gebruikt kan worden. Onder veiligheid vallen ook bepaalde (brand)veiligheidskeurmerken/ISO-normeringen. De specifieke eisen die worden gesteld aan de kwaliteit worden opgenomen in het PvE.
12.13.3 Duur van de toekenning
De maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt tenminste toegekend voor de normale afschrijvingstermijn van de desbetreffende voorziening (tenzij anders beschreven in de beschikking). Onder de normale afschrijvingstermijn, wordt de technische afschrijvingsduur verstaan. Dit betekent dat een voorziening die economisch is afgeschreven, maar nog goed werkt en nog geschikt is voor de inwoner, niet wordt vervangen door een nieuwe maatwerkvoorziening. Zolang de voorziening nog goedkoopst compenserend is en volgens de normale afschrijvingstermijn nog niet is afgeschreven, kan de inwoner pas een nieuwe aanvraag doen wanneer de looptijd van de indicatie is verstreken. De situatie van de inwoner kan verslechteren, waardoor de voorziening niet meer als passend kan worden aangemerkt. Als wordt verwacht dat de situatie van de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Een medisch onderzoek kan aan de orde zijn. Wanneer er sprake is van risico op snelle/vroegtijdige vervanging dan wordt er in principe geen pgb ingezet. Bijvoorbeeld bij kind voorzieningen of daar waar een progressieve aandoening is. Dit is omdat het risico op vroegtijdige vervanging groot is en een gecontracteerde leverancier sneller kan inspelen op de veranderende ondersteuningsvraag. Als de inwoner ervoor kiest een tweedehands hulpmiddel aan te schaffen, dan is het risico dat de voorziening binnen de looptijd van de beschikking technisch wordt afgeschreven, voor de inwoner. Dit betekent dat er binnen de looptijd van de beschikking enkel om de reden dat de voorziening technisch of economisch is afgeschreven, geen nieuwe voorziening wordt toegekend.
12.14 Besteding en verantwoording
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 is bepaald dat een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat de inwoner het pgb niet binnen drie maanden gebruikt of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt, niet is aangewend voor het doel waarvoor de maatwerkvoorziening is toegekend. Een omzetting van een pgb naar een maatwerkvoorziening in natura is niet meer mogelijk nadat er al uitgaven zijn gedaan uit het pgb. Andersom kan ook een eenmaal verstrekte maatwerkvoorziening in natura gedurende de duur van de looptijd van de afgegeven beschikking, als de voorziening nog goedkoopst compenserend is en niet is afgeschreven, niet omgezet worden in een pgb.
In de beschikking staat het besluit van de gemeente. Hierin staat onder andere:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
De gemeente betaalt het pgb nadat de beschikking is verzonden. De inwoner krijgt het bedrag niet zelf op de rekening. Dit wordt geregeld via het trekkingsrecht van de Sociale verzekeringsbank (SVB).
Sinds de invoering van de Wmo 2015 betaalt de gemeente het pgb niet meer rechtstreeks aan de inwoner of zijn vertegenwoordiger uit. In plaats daarvan beheert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het budget. Dit systeem heet het trekkingsrecht.
- •
- •
- •
- •
- •
Als er geen goedgekeurde zorgovereenkomst is bij de SVB, kan er geen betaling plaatsvinden. Ook mag de zorgovereenkomst niet langer lopen dan de einddatum die in de beschikking staat.
De SVB verzorgt ook de administratie, zoals het terugbetalen van niet-gebruikte bedragen aan de gemeente.
12.15.2 Uitbetaling op declaratiebasis
Betaling van de ondersteuning vindt plaats op declaratiebasis. Dat betekent dat de zorgverlener eerst de afgesproken ondersteuning levert, en dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger daarna een declaratie indient bij de SVB.
Uitbetaling op basis van een vast maandbedrag is alleen mogelijk als er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de inwoner en de pgb-aanbieder.
Door betaling op declaratiebasis houdt de budgethouder meer regie en beter zicht op de levering en uitgaven van de ondersteuning.
12.17 Financiële tegemoetkoming
De gemeente kan een maatwerkvoorziening ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming aanbieden. In dat geval ontvangt de inwoner hulp in de vorm van een geldbedrag. Dit geldbedrag is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden door de inwoner om de geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De inwoner mag zelf een aanbieder of leverancier kiezen en afspraken maken over de invulling van de te leveren hulp dan wel de voorziening.
Een financiële tegemoetkoming is een vooraf bepaald geldbedrag dat de noodzakelijke kosten ongeveer dekt. Een financiële tegemoetkoming hoeft dus niet volledig kostendekkend te zijn.
De gemeente verstrekt een financiële tegemoetkoming aan de inwoner of een gemachtigde van de inwoner. De tegemoetkoming wordt niet uitgekeerd via de sociale verzekeringsbank (SVB).
De inwoner hoeft geen bijdrage in de kosten te betalen voor de maatwerkvoorziening die als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.
Hoofdstuk 13: Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen
13.1 Vaststellen van de eigen bijdrage
Inwoners die gebruik maken van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015, zijn een eigen bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage geldt zolang de voorziening feitelijk gebruikt wordt of – bij een pgb – voor de periode waarvoor het budget is toegekend.
De eigen bijdrage is een maandelijks, vast bedrag. Voor de meeste Wmo maatwerkvoorziening geldt een zogeheten abonnementstarief. Dit tarief wordt jaarlijks vastgesteld door het Rijk en is te vinden op de website van de gemeente. Voor Beschermd wonen geldt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. De inning van de eigen bijdragen verloopt via het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Inwoners ontvangen hierover rechtstreeks bericht van het CAK.
13.4 Tijdelijk niet-gebruik en opschorting eigen bijdrage
Soms maakt een inwoner tijdelijk geen gebruik van een specifieke maatwerkvoorziening, bijvoorbeeld door een ziekenhuisopname of langdurige revalidatie. In deze gevallen kan de eigen bijdrage voor die specifieke voorziening tijdelijk worden opgeschort. Dit gebeurt alleen als:
- •
- •
- •
- •
- •
De consulent van Samen Doen beoordeelt per situatie of opschorting van de eigen bijdrage mogelijk is. Dit gebeurt in overleg met de backoffice en – indien nodig – met het CAK.
14.1 Afwijken van deze beleidsregels (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze beleidsregels als strikte toepassing van de beleidsregels leidt tot een kennelijk onredelijke, of onrechtvaardige uitkomst voor de inwoner. Zie artikel 37 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026.
Afwijking vereist een professionele morele afweging en schriftelijke motivatie, waarbij belangenafweging en alternatieven worden meegenomen.
De toepassing van de hardheidsclausule wordt altijd afgestemd met de inwoner en vastgelegd in het dossier, waar nodig wordt het besproken binnen het team of met een leidinggevende.