VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2026

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
algemeen verbindend voorschrift (verordening)
Publicatiedatum:
24-12-2025



VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2026

De raad van de gemeente Hardenberg,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 11 november 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

gelezen het advies van de Participatieraad Sociaal Domein Hardenberg van 6 oktober 2025;

 

overwegende dat:

• de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;

• het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt;

• het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

° de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;

° de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

° de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

° de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

° de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

° de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

• het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;

besluit

vast te stellen de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Begrippen:

    • A.

      algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • B.

      andere (voorliggende) voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet.

    • C.

      budgethouder : de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • D.

      cliëntondersteuner : onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen

    • E.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg

    • F.

      familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouder(s), samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

    • G.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • H.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • I.

      individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

    • J.

      ondersteuningsplan : een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; Het ondersteuningsplan is een hulpverleningsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

    • K.

      persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder(s), dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

    • L.

      Samen Doen: een team van professionals, zoals bedoeld in artikel 2.2 en 2.4, dat door het college is aangewezen om de gemeentelijke toegang naar de individuele voorzieningen te verzorgen

    • M.

      sociaal netwerk : personen uit de huiselijke kring van de jeugdige of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt

    • N.

      VOG : Verklaring Omtrent het Gedrag;

    • O.

      zelfredzaamheid: het vermogen van een persoon om zelfstandig te kunnen functioneren en dagelijkse taken uit te voeren.

    • P.

      Zorg in Natura: de vorm waarin een voorziening rechtstreeks door of namens het college wordt verstrekt, zonder dat de jeugdige of ouder(s) zelf de jeugdhulp inkopen (zin).

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

 

Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp

Artikel 2. Voorzieningen

  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Preventie, inclusief advies en voorlichting;

    • b.

      Lichte (opvoed)ondersteuning;

    • c.

      Jeugdgezondheidszorg, maatwerkdeel;

    • d.

      Maatschappelijk werk en jongerenwerk;

      Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • Ambulante dagbehandeling.

    • Begeleiding.

    • Crisiszorg.

    • Ernstige dyslexiezorg.

    • Jeugd en opvoedhulp.

    • Jeugd GGZ.

    • Jeugdwet vervoer.

    • Medicatie controle.

    • Multisysteem therapie.

    • Wonen en verblijf.

    • Zeer intensieve traumabehandeling.

Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 3. Toegang algemene voorziening

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s).

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen met hun jeugdhulpvraag terecht bij Samen Doen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk en digitaal worden ingediend via Samen Doen bij het college.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag voor jeugdhulp schriftelijk en wijst de jeugdige en/of ouder(s) voor het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening, op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 4.

    Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid om binnen twee weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, zoals genoemd in het derde lid, een familiegroepsplan in te dienen Op verzoek van de jeugdige en/of ouder(s), zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan

  • 5.

    Het college merkt een ondertekend verslag van het onderzoek aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.

  • 6.

    Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Het pgb-plan wordt gezien als een aanvraag voor een pgb.

  • 7.

    Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

  • 8.

    De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen 3 maanden hebben besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt.

 

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de jeugdwet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van specifieke omstandigheden.

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

 

Artikel 6. Toegang jeugdhulp vanuit het gedwongen kader (de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht)

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

  • 2.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van specifieke omstandigheden.

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

  • 5.

    Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Hiervoor verleent het college geen beschikking.

 

Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag; onderzoek en besluitvorming

Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • c.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • d.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving ‘op eigen kracht’ een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • e.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • h.

      de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze;

    • i.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

  • 2.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 3.

    Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder (s) voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 4.

    Het college verzamelt alle voor het gesprek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of zijn ouder en zijn situatie.

  • 5.

    Voor of tijdens het gesprek verschaft de jeugdige of zijn ouder(s) het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover hij op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De jeugdige of zijn ouder(s) verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 6.

    De jeugdige kan een familiegroepsplan aan het college verstrekken, waarin ouders, familieleden en andere direct betrokkenen een oplossing aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. Indien gewenst kan daar professionele ondersteuning bij worden geboden door onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 7.

    Het college kan, met rechtsgeldige (voldoet aan artikel 4 onder 11 AVG) instemming van de jeugdige of zijn ouder(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of behandelaar en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.

  • 8.

    Het college en de jeugdige en/of zijn ouder(s) leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan. Ouders hebben de gelegenheid om binnen 10 werkdagen hierop te reageren en deze reacties worden indien gewenst toegevoegd aan het verslag. Tenzij anders is overeengekomen met het college.

  • 9.

    Met toestemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de doelen van het ondersteuningsplan met de jeugdige en/of zijn ouder(s), Samen Doen en de jeugdhulpaanbieder besproken worden.

  • 10.

    Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen.

    • b.

      als dit nodig is voor het onderzoek, de jeugdige, zijn ouder(s), zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten op te roepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.

    • c.

      als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.

  • 11.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een gesprek als de hulpvraag van jeugdige en/of zijn ouder(s) en de compensatie daarvan voldoende duidelijk is.

 

Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat:

    • a.

      er sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige;

    • b.

      de inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:

      • Gezond en veilig op te groeien.

      • Te groeien naar zelfstandigheid.

      • Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en

    • c.

      de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 9 van deze verordening, en

    • d.

      een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en

    • e.

      de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.

  • 2.

    Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

  • 3.

    Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 2 als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal 1 maand vóór de aanvraag.

 

Artikel 9. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) komen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en eigen kracht. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • boven gebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en als er door het bieden van de boven gebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

    • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

    • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige geen hoofdverblijf heeft.

  • 3.

    Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp, beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen: Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. De (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5.

    Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen wanneer zij minder kunnen werken;

    • i.

      de woonsituatie;

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.

  • 8.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 9.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

    • Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om de spanningen die tot overbelasting leiden te verminderen.

    • Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

    • Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10.

    Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 11.

    Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

 

Artikel 10. Afstemming met andere voorzieningen

  • 1.

    Wanneer in een hulpvraag of behoefte aan ondersteuning van een jeugdige en zijn ouders niet kan worden voorzien binnen één wettelijk kader als bedoeld in deze verordening, draagt het college verantwoordelijkheid voor goede afstemming met andere voorzieningen zoals voorliggende voorzieningen of financiering vanuit andere wettelijke kaders.

  • 2.

    De afstemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval betrekking op hulp en ondersteuning vanuit:

    • a.

      de Jeugdwet;

    • b.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • c.

      de Participatiewet;

    • d.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • e.

      de Wet langdurige zorg;

    • f.

      de Leerplichtwet;

    • g.

      de wet passend onderwijs;

    • h.

      de Wet publieke gezondheid;

    • i.

      de Zorgverzekeringswet;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

  • 3.

    De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot:

    • a.

      opheffen van een situatie die voor de jeugdige en zijn ouders en/of de omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt;

    • d.

      voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 4.

    Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders of het gezin, alsmede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • b.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • c.

      welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste kosten op lange termijn.

  • 5.

    Het college ondersteunt een jeugdige en zijn ouders richting het Centrum Indicatiestelling Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt of de jeugdige in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 6.

    Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening.

  • 7.

    Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder lid 2 sub a tot en met e, is het college verantwoordelijk om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

Artikel 11. Verlengde jeugdhulp

  • 1.

    Het college kan op aanvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) jeugdhulp verlenen aan een jongere van achttien tot drieëntwintig jaar, voor zover de jeugdhulp naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor een goede overgang naar volwassenheid en maatschappelijke participatie.

  • 2.

    De voorziening kan uitsluitend worden verstrekt indien:

    • a.

      de jeugdhulp vóór het bereiken van de achttienjarige leeftijd is aangevangen, en

    • b.

      naar verwachting zonder voortzetting van de hulp ernstige belemmeringen ontstaan in de ontwikkeling naar zelfstandigheid;

    • c.

      de hulp niet wordt vergoed door een andere wet, zoals Wmo, Zvw of WLZ.

  • 3.

    Bij het besluit tot verstrekking wordt de duur van de verlengde jeugdhulp gemotiveerd vastgelegd, met een maximum tot het drieëntwintigste levensjaar.

  • 4.

    Het college zorgt voor tijdige afstemming met voorzieningen uit andere wettelijke kaders, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Zorgverzekeringswet, teneinde de overgang naar volwassenenzorg te waarborgen.

 

Artikel 12. Het besluit

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag voor een individuele voorziening binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het college legt na het onderzoek de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 4.

    Indien een langere termijn noodzakelijk is, stelt het college de jeugdige en/of ouder(s) hiervan schriftelijk en gemotiveerd in kennis en vermeldt het college de redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog wordt gegeven.

 

Artikel 13. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat of doel daarvan is;

    • b.

      of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • c.

      de ingangsdatum en de duur van de verstrekking.

  • 2.

    Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking.

  • 3.

    Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouder(s) op grond van de wet, de verordening, nadere regels en beleidsregels.

  • 4.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen.

 

Hoofdstuk 5. Persoonsgebonden budget (PGB)

Artikel 14. Regels voor een pgb

  • 1.

    Als een jeugdige in aanmerking komt voor een individuele voorziening en ouders de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 8.8.1 tweede lid van de jeugdwet opgenomen voorwaarden. De pgb-houder dient daarvoor een pgb-budgetplan in. In het pgbbudgetplan is in elk geval opgenomen:

    • a.

      hoe de jeugdige en/of ouders zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of een vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • b.

      wat de motivatie is om de individuele voorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • c.

      op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

    • d.

      op welke wijze de inzet van de voorziening wordt gecontroleerd;

    • e.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal uren en tarief.

  • 2.

    Het pgb mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een éénmalige uitkering.

    • e.

      reiskosten van de pgb-aanbieder;

    • f.

      bijkomende zorgkosten, zoals cursusgeld voor een cursus die de pgb-aanbieder volgt;

    • g.

      kosten voor het aanvragen van een VOG;

    • h.

      kosten voor het deelnemen aan overleggen in het kader van afstemmen en samenwerken met andere zorgverleners;

    • i.

      kosten voor het lidmaatschap van Per Saldo;

    • j.

      overige kosten die niet direct bijdragen aan het doel van de voorziening.

  • 3.

    Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 4.

    Om voor een pgb in aanmerking te komen dient er een pgb beheerder aangesteld worden.

  • 5.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 6.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de jeugdige of ouder langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 7.

    Het college beoordeelt het pgb-budgetplan voorafgaand aan de verstrekking van het pgb op doelmatigheid en rechtmatigheid. Indien het plan onvoldoende waarborgen bevat voor een verantwoorde besteding, wordt het pgb geweigerd of in aangepaste vorm toegekend.

  • 8.

    Het college kan besluiten om een jeugdige en/of ouder(s) die misbruik heeft gemaakt van een pgb gedurende een door het college te bepalen periode uit te sluiten van het recht op een nieuw pgb, onverminderd de bevoegdheid tot terugvordering.

Artikel 15 Uitsluitingsgronden persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college kan besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) verkeert in een situatie van problematische schulden, waardoor het risico aanwezig is dat het persoonsgebonden budget voor andere doeleinden wordt aangewend;

    • b.

      er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek die de regievoering belemmert;

    • c.

      er is sprake van fraude of misbruik in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, waaronder mede wordt verstaan fraude buiten het pgb-domein;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) heeft een aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis die verantwoord beheer onmogelijk maakt;

    • e.

      er is sprake van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat het voeren van regie duurzaam belemmert;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de verantwoordelijkheden verbonden aan het persoonsgebonden budget te begrijpen en na te komen, ook niet met ondersteuning of vertegenwoordiging;

    • g.

      andere zwaarwegende feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verantwoord beheer van het persoonsgebonden budget redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 2.

    Indien zich één van de in lid 1 genoemde omstandigheden voordoet, kan het college besluiten dat zorg in natura een meer passende voorziening is.

 

Artikel 16 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 3.

    Informele hulp is:

    • a.

      hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid;

    • b.

      hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van de jeugdige horen.

 

Artikel 17 Hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:

    • a.

      het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura rekening houdend met een eventueel door de gemeente ontvangen korting bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, of;

    • b.

      het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

  • 2.

    Het pgb voor diensten wordt vastgesteld op basis van een door het college vastgesteld tarief dat:

    • a.

      toereikend is om passende en goede ondersteuning in te kopen;

    • b.

      aansluit bij de reële kostprijs van ondersteuning in natura, met uitzondering van bepaalde specifieke kostenposten zoals risico-opslag en formele organisatieverplichtingen;

    • c.

      in overeenstemming is met de Algemene Maatregel van Bestuur inzake reële tarieven, en;

    • d.

      op transparante wijze is opgebouwd op basis van de zogeheten kostprijselementenmethode, zoals uitgewerkt door Bureau HHM (laatstelijk geactualiseerd op 23-05-2025).

  • 3.

    De kostprijselementenmethode bevat onder meer de volgende elementen:

    • a.

      directe loonkosten (cao-mix, inschaling op een vast percentage van schaalmaximum, inclusief werkgeverslasten, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering);

    • b.

      een beperkte overheadvergoeding (gemiddeld tussen 3,06% en 3,30%, afhankelijk van cao-sector);

    • c.

      correcties voor productiviteit, groepsgrootte, vakantie-uren en onregelmatigheid;

    • d.

      overige kosten zoals lichte catering, reiskosten en huisvestingsopslag (indien van toepassing).

  • 4.

    Er worden twee pgb-tariefsoorten onderscheiden:

    • a.

      formele/ professionele hulp: geleverd door een niet-gecontracteerde organisatie of een zelfstandig beroepsbeoefenaar (zzp’er), die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 14 van deze verordening. Het tarief is gebaseerd op de in lid 2 genoemde kostprijselementen;

    • b.

      informele/ niet professionele hulp: geleverd door een persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige, waarbij het minimumtarief is gebaseerd op FWG30 uit de cao VVT, verhoogd met vakantietoeslag en een correctie voor vakantie-uren, conform jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2023:1580).

  • 5.

    Als het op grond van de bovenstaande leden vastgesteld budget in een individueel geval aantoonbaar onvoldoende is om de benodigde voorziening te kunnen inkopen, past het college het tarief zodanig aan dat de voorziening bij ten minste één passende aanbieder kan worden ingekocht, met een maximum van 100% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura.

  • 6.

    Het college stelt nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel, waaronder een financieel besluit Wmo en Jeugd, waar per product(groep) jaarlijkse indexering plaatsvindt op basis van het prijspeil zoals dat ook geldt voor natura-voorzieningen.

 

Hoofdstuk 6. Wijziging of beëindiging individuele voorziening

Artikel 18. Herziening, intrekking, terugvordering en misbruik

  • 1.

    De jeugdige en/of ouder(s) aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn of haar situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden.

  • 2.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college 1 van deze gronden vaststelt:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer passend is;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bedoeld;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) werken niet (voldoende), binnen hun eigen mogelijkheden, mee aan onderzoek gericht op de besluitvorming over de behoefte aan en de doelmatige inzet van jeugdhulp;

    • g.

      als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

  • 3.

    Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar jeugdige en/of ouder(s) geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op de grond genoemd in lid 2 sub a.

  • 4.

    Het college informeert jeugdigen en ouders duidelijk over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de toegekende individuele voorziening (in natura of in pgb-vorm) en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening.

 

Hoofdstuk 7. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering; en

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

 

Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet.

  • 2.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen.

  • 3.

    Gecontracteerde en/of pgb aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 4.

    De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 5.

    Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder(s), ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Hardenberg.

  • 6.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

Artikel 21. Toezichthouders

  • 1.

    Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet.

  • 2.

    De aangewezen toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

    • b.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;

    • c.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de jeugdige en/of zijn ouders of pgb-beheerder;

    • d.

      vorderen van identificatie;

    • e.

      inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • f.

      het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);

    • g.

      controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft;

    • h.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie.

  • 3.

    Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

 

Hoofdstuk 8. Klachten en medezeggenschap

Artikel 22. Klachtregeling

  • 1.

    Het college hanteert de vastgestelde gemeentelijke klachtenregeling voor de afhandeling van klachten, voor zover de klacht betrekking heeft op professionals werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit betreft dan o.a. de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van individuele voorzieningen zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van jeugdigen of ouder(s).

  • 3.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders

  • 1.

    Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van jeugdigen over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 24. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

  • 1.

    Er is een Participatieraad voor de advisering bij de uitvoering van de wet.

  • 2.

    De Participatieraad bestaat uit leden die in staat zijn de belangen van de ingezetenen, waaronder in ieder geval, jeugdigen en ouder(s) en hun vertegenwoordigers, in relatie tot de uitvoering van de wet in voldoende mate te behartigen.

  • 3.

    De Participatieraad, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      wordt door het college betrokken bij de beleidsvoorbereiding en evaluatie;

    • b.

      is bevoegd om uit eigen beweging het college te voorzien van advies ten aanzien van de uitvoering van de wet;

    • c.

      wordt periodiek uitgenodigd voor een overleg over de uitvoering van de wet;

    • d.

      is bevoegd om onderwerpen voor het overleg aan te dragen.

  • 4.

    Het college draagt er zorg voor dat de Participatieraad tijdig in het bezit is van alle informatie die noodzakelijk is voor het overleg met de gemeente of om zijn adviesrol naar behoren uit te oefenen. Hierbij wordt aansluit gezocht bij de termijnen zoals genoemd in de verordening van de Participatieraad.

  • 4.

    Er is een JongerenAdviesRaad (JAR). Zij worden net als de participatieraad gevraagd voor advisering bij uitvoering van de wet.

  • 5.

    Het college voert jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek uit als bedoeld in artikel 2.10, vijfde lid, van de Jeugdwet en betrekt de uitkomsten daarvan bij de beleidsontwikkeling en evaluatie.

 

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 25. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Het college informeert de gemeenteraad en de participatieraad over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 26. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De verordening maatschappelijk ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening maatschappelijk ondersteuning en Jeugdwet gemeente Hardenberg 2023, tot het moment dat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de verordening jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform de genoemde verordening in het eerste lid.

  • 4.

    Van lid 2 en 3 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken, indien de regels uit Verordening jeugdhulp gemeente Hardenberg 2026 gunstiger uitpakken.

 

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 16 december 2025.

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

F.G.S. Droste M.W. Offinga