VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HARDENBERG 2026

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
algemeen verbindend voorschrift (verordening)
Publicatiedatum:
24-12-2025



VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HARDENBERG 2026

De raad van de gemeente Hardenberg,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025, zaaknummer 1115566;

gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gelezen het advies van de Participatieraad Sociaal Domein Hardenberg van 14 oktober 2025;

overwegende dat:

• het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;

• het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;

• het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning.

Besluit:

vast te stellen de “Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026”.

 

Hoofdstuk 1: Begrippen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • algemeen gebruikelijke voorziening : een voorziening die:

      • °

        niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • °

        daadwerkelijk beschikbaar is;

      • °

        een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en;

      • °

        financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

    • algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    • andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026;

    • bewuste keuzegesprek: gesprek om te beoordelen of de inwoner, of zijn pgb-beheerder, een persoonsgebonden budget (pgb) kan beheren;

    • budgethouder: de inwoner die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of zijn pgb-beheerder;

    • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg;

    • eigen bijdrage : financiële bijdrage van de inwoner als bedoeld in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen;

    • financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag zonder dat dit (geheel) kostendekkend hoeft te zijn;

    • fraude : het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin;

    • gesprek: het mondelinge contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een deskundige met een inwoner diens problematiek en de gevolgen daarvan alsmede de gewenste resultaten of doelen van de te kiezen oplossingen bespreekt;

    • hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en waar hij in de basisregistratie persoonsgegevens (brp) staat ingeschreven;

    • hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • informele ondersteuning/ondersteuner: zorg of ondersteuning die wordt gegeven door mensen die dat niet in het kader van hun beroep, maar als onderdeel van het sociaal netwerk van de inwoner verrichten;

    • inwoner : persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 onder ‘cliënt’ van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • nadere regels: nadere regels Wmo Hardenberg zoals bijvoorbeeld het jaarlijks Financieel Besluit;

    • ondersteuningsplan: het plan dat Samen Doen in samenspraak met de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger, en waar mogelijk met de mantelzorger(s), opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning;

    • persoonlijk plan: plan waarin de inwoner een voorstel doet over welke maatschappelijke ondersteuning naar eigen mening het beste past bij zijn ondersteuningsbehoefte;

    • pgb : persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • pgb-aanbieder : Van een professionele ondersteuner/aanbieder is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van het sociale netwerk van de inwoner:

      • °

        personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

      • °

        personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

    • pgb-budgetplan: een door de inwoner opgesteld inhoudelijk plan met kostenoverzicht en doelen, waarin uitgelegd wordt op welke wijze het persoonsgebonden budget besteed wordt;

    • Samen Doen :

      Samen Doen BV is de organisatie die in opdracht van de gemeente Hardenberg verantwoordelijk is voor de toegang tot Wmo en jeugdhulp en als wijkteam integrale ondersteuning biedt aan de inwoners. Samen Doen helpt inwoners met vragen over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid.

    • toezichthouder : een door het college aangewezen persoon of partij die, krachtens de bevoegdheden uit hoofdstuk 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 toezicht uitoefent op naleving van de kwaliteits,-veiligheids,- en rechtmatigheidseisen van de dienstverlening die valt binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

    • uitvoeringsbesluit: uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • vertegenwoordiger: iemand uit het sociale netwerk of professional zoals een bewindvoerder, mentor of curator die de inwoner bijstaat;

    • VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag. Deze mag bij aanvang werkzaamheden door gecontracteerde of pgb-aanbieder niet ouder zijn dan drie maanden;

    • voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven;

    • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • wlz: Wet langdurige zorg;

    • woonvoorziening: Een voorziening die de inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van zijn woning;

    • zin: zorg in natura.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

 

Hoofdstuk 2: Melding

Artikel 2 Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens de inwoner telefonisch, mondeling, schriftelijk of digitaal bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 3.

    Bij de ontvangst van de melding informeert het college de inwoner of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

 

Artikel 3 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

 

Artikel 4 Persoonlijk plan

  • 1.

    Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2.

    Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

 

Artikel 5 Informatie en identificatie

  • 1.

    De inwoner geeft het college, als er om wordt gevraagd, de gegevens en informatie die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, stelt het college de identiteit vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

 

Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan

Artikel 6 Onderzoek

  • 1.

    Een gesprek dat Samen Doen doet namens het college, maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.

  • 2.

    De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek:

    • a.

      wat de hulpvraag is van de inwoner;

    • b.

      welke beperkingen worden ervaren bij het dagelijks functioneren en participeren? De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd is.

  • 3.

    Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor zin of pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 4.

    Kiest een inwoner voor een pgb, dan volgt een bewuste keuzegesprek waarin gekeken wordt of er aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 18 van deze verordening wordt voldaan..

  • 5.

    Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in te dienen.

  • 6.

    Als dat nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een (her)onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.

  • 7.

    Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      sociaal medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      ergonomische kennis;

    • c.

      bouwkundige/technische kennis;

    • d.

      gedragswetenschappelijke kennis.

  • 8.

    Als de hulpvraag en de situatie van de inwoner voldoende bekend is, kan het college, met toestemming van de inwoner, afzien van onderzoek.

 

Artikel 7 Het ondersteuningsplan

  • 1.

    De schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Het beschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning

  • 2.

    Na het laatste gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan zo spoedig mogelijk aan de inwoner.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden binnen een redelijke termijn aan het schriftelijk verslag toegevoegd en maken daar deel van uit.

  • 4.

    De inwoner ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college

  • 5.

    Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken wordt geretourneerd, kan het college beslissen de melding niet verder in behandeling te nemen.

 

Hoofdstuk 4: Aanvraag, besluit en beschikking

Artikel 8 Aanvraag maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk of digitaal ingediend bij het college of Samen Doen nadat het onderzoek is uitgevoerd.

  • 2.

    Wanneer het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, kan de inwoner een aanvraag indienen.

  • 3.

    De inwoner kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen door zijn ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen en deze in te dienen.

Artikel 9 Besluit

  • 1.

    Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb, dan wel de financiële tegemoetkoming, binnen 3 maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt.

 

Artikel 10 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

  • 2.

    Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zin vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt en wat de omvang en het beoogde resultaat of doel daarvan is en door wie de hulp wordt gegeven;

    • b.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • c.

      of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening;

    • d.

      wanneer van toepassing, of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt;

    • e.

      wanneer van toepassing, de termijn van 3 maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 9 lid 2.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      aan welk resultaat of doel dit moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte is van het pgb en hoe deze is bepaald;

    • d.

      de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;

    • e.

      of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening;

    • f.

      hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden

    • g.

      de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 9 lid 2.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      voor welk resultaat of doel deze tegemoetkoming wordt gegeven;

    • b.

      wanneer en hoe vaak de tegemoetkoming wordt betaald;

    • c.

      welke voorwaarden en verplichtingen er gelden;

    • d.

      of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening;

    • e.

      wanneer van toepassing, de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner de financiële tegemoetkoming moet gebruiken als bedoeld in artikel 9 lid 2.

 

Hoofdstuk 5: Maatwerkvoorzieningen

Artikel 11 Algemene criteria

  • 1.

    Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp van huisgenoten en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

    • f.

      algemene voorzieningen en/of;

    • g.

      andere voorzieningen.

  • 3.

    Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp van huisgenoten en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

    • f.

      algemene voorzieningen en/of;

    • g.

      andere voorzieningen.

 

Artikel 12 Afwegingscriteria eigen kracht, gebruikelijke hulp en sociaal netwerk

  • 1.

    Onder eigen kracht wordt verstaan: het vermogen van de inwoner om, al dan niet met hulp van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen, op eigen initiatief en verantwoordelijkheid een oplossing te vinden voor zijn ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten van een inwoner.

  • 3.

    Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en zijn huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de inwoner en de huisgenoot of huisgenoten;

    • c.

      de leeftijd, gezondheid en belastbaarheid van de huisgenoot of huisgenoten;

    • d.

      de aard, omvang en complexiteit van de hulpvraag;

    • e.

      de aanwezigheid van andere zorgtaken binnen het huishouden;

    • f.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij zijn zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • g.

      de duur van de benodigde ondersteuning;

    • h.

      de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door zijn huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • i.

      overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

  • 4.

    Bij het bepalen of gebruikelijke hulp aanwezig is, wordt de feitelijke situatie beoordeeld en wordt rekening gehouden met de draagkracht van de huisgenoot of huisgenoten.

  • 5.

    Onder hulp vanuit het sociale netwerk wordt verstaan: hulp die, gelet op de relatie tussen betrokkene en degene die hulp zou kunnen verlenen, in redelijkheid en zonder overbelasting mag worden verwacht.

  • 6.

    Het college motiveert in het besluit op basis van deze criteria waarom hulp uit eigen kracht, gebruikelijke hulp of het sociale netwerk al dan niet toereikend is geacht.

Artikel 13 Voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner veilig voor zichzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 3.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

    • a.

      als de inwoner geen hoofdverblijf heeft in de gemeente Hardenberg;

    • b.

      als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • c.

      als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;

    • d.

      als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;

    • e.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om huishoudelijke hulp of begeleiding;

    • f.

      de te treffen voorziening niet proportioneel en doeltreffend is. De met de voorziening gepaard gaande kosten dienen in verhouding te staan tot de ondervonden beperkingen en het bereiken doel of resultaat;

    • g.

      als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;

    • h.

      als de inwoner een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wlz of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;

    • i.

      als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • j.

      als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

    • k.

      als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met inzet van eigen kracht, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

    • l.

      als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met gebruikelijke hulp van een huisgenoot, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

    • m.

      als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met inzet van personen uit het sociale netwerk, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

    • n.

      het college motiveert in de beschikking op welke gronden een maatwerkvoorziening wel of niet wordt verstrekt, en betrekt daarbij de criteria zoals opgenomen in artikel 12;

    • o.

      als een maatwerkvoorziening wordt afgewezen omdat een algemene voorziening beschikbaar is, motiveert het college in de beschikking waarom deze algemene voorziening in het individuele geval van de inwoner toereikend en passend wordt geacht.

 

Artikel 14 Aanvullende criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang

  • 1.

    In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner en ook eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van feitelijk of residentieel dakloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving als:

    • a.

      de inwoner de situatie van feitelijk of residentieel dakloosheid niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en;

    • b.

      opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner en ook eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van verlaten van de thuissituatie om veiligheidsredenen door huislijk geweld als:

    • a.

      de inwoner de thuissituatie heeft verlaten vanwege risico’s voor de veiligheid van de inwoner en/of de kinderen van deze inwoner als gevolg van huiselijk geweld en de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en;

    • b.

      de inwoner de opvangsituatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en;

    • c.

      opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de inwoner of zijn kinderen, voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de wet als:

    • a.

      de inwoner psychische- of psychosociale problemen heeft en de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en;

    • b.

      de inwoner de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en;

    • c.

      beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

 

Artikel 15 Aanvullende criteria woonvoorzieningen

  • 1.

    In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 komt een inwoner in aanmerking voor een woningaanpassing en woonvoorziening van nietbouwkundige aard als:

    • a.

      er sprake is van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de wet op de Huurtoeslag, en;

    • b.

      de aan te passen woning in de gemeente Hardenberg staat.

  • 2.

    In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 wordt geen woonvoorziening verstrekt:

    • a.

      als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

    • b.

      ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing worden verstrekt;

    • c.

      als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van doelgroepengebouwen zijn hiervan uitgezonderd en worden niet verstrekt;

    • d.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

    • e.

      als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

    • f.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

    • g.

      als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

    • h.

      als het primaat van verhuizen uit artikel 16 van toepassing is.

  • 3.

    Voor inwoners die in een Wlz-instelling wonen kan één woning bezoekbaar gemaakt worden in Hardenberg, als:

    • a.

      de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wlz, en;

    • b.

      er nog geen andere woning bezoekbaar is of wordt gemaakt.

  • 4.

    Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. De inwoner kan maximaal het bedrag zoals genoemd in het Financieel besluit Wmo en Jeugd toegekend krijgen.

 

Artikel 16 Primaat van verhuizen

  • 1.

    Verhuizen naar een aangepaste of aanpasbare woning heeft voorrang, als de som van de kosten van het aanpassen van de woning en het treffen van een woonvoorziening van niet-bouwkundige aard aan die woning, meer bedraagt dan het jaarlijks door het college vast te stellen bedrag, opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

  • 2.

    Als verhuizen de goedkoopste adequate oplossing biedt, verstrekt het college een verhuiskostenvergoeding zoals opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

  • 3.

    Dit bedrag kan jaarlijks worden geïndexeerd.

 

Artikel 17 Aanvullende criteria vervoershulpmiddel en vervoersvoorziening

  • 1.

    In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner voor collectief vervoer in aanmerking komen als hij zich door aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronische, psychische en/of psychosociaal probleem, niet lokaal kan verplaatsen en geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen en hierdoor een participatie probleem ervaart. Inwoner ontvangt bij toekenning van deze voorziening een Wmo-vervoerspas.

  • 2.

    Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.

  • 3.

    Buiten de 25 kilometergrens gemeten van het woonadres, kunnen inwoners gebruik maken van Valys.

  • 4.

    Als het collectief vervoer niet passend is en het gebruik van de eigen auto of taxi voor inwoner (medisch)noodzakelijk is voor het zich verplaatsen in de leefomgeving, en dit aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten, kan een voorziening verstrekt worden voor het gebruik van de eigen auto in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal 1.500 km x kilometerprijs voor variabele kosten middenklasse auto uit de geldende ‘Prijzengids Nibud’. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

  • 5.

    Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden (gehuwden, samenwonende partners, ouder en minderjarig kind of twee inwonende kinderen) niet samenvallen, wordt in totaal niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

 

Hoofdstuk 6: Pgb en financiële tegemoetkoming

Artikel 18 Regels voor een pgb

  • 1.

    Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor diensten en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner dient daarvoor een pgb-budgetplan in. In het pgbbudgetplan is in elk geval opgenomen:

    • a.

      hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • b.

      wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • c.

      op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

    • d.

      op welke wijze de inzet van de voorziening wordt gecontroleerd;

    • e.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal uren en tarief.

  • 2.

    Het pgb mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een éénmalige uitkering.

  • 3.

    Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 4.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

 

Artikel 19 Uitsluitingsgronden Pgb

  • 1.

    Het college kan besluiten geen Pgb te verstrekken als er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      de inwoner of zijn Pgb-beheerder verkeert in een situatie van problematische schulden, waardoor het risico aanwezig is dat het Pgb voor andere doeleinden wordt aangewend;

    • b.

      er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek die de regievoering belemmert;

    • c.

      er is sprake van fraude of misbruik in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, waaronder mede wordt verstaan fraude buiten het Pgb-domein;

    • d.

      de inwoner of zijn Pgb-beheerder heeft een aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis die verantwoord beheer onmogelijk maakt;

    • e.

      er is sprake van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat het voeren van regie duurzaam belemmert;

    • f.

      de inwoner of zijn Pgb-beheerder beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de verantwoordelijkheden verbonden aan het Pgb te begrijpen en na te komen, ook niet met ondersteuning of vertegenwoordiging;

    • g.

      andere zwaarwegende feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verantwoord beheer van het persoonsgebonden budget redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 2.

    Als zich één van de in lid 1 genoemde omstandigheden voordoet, kan het college besluiten dat zorg in natura een meer passende voorziening is.

 

Artikel 20 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 3.

    Informele hulp is:

    • a.

      hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid;

    • b.

      hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner horen.

 

Artikel 21 Hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:

    • a.

      het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura rekening houdend met een eventueel door de gemeente ontvangen korting bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, of;

    • b.

      het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

  • 2.

    Het pgb voor diensten wordt vastgesteld op basis van een door het college vastgesteld tarief dat:

    • a.

      toereikend is om passende en goede ondersteuning in te kopen;

    • b.

      aansluit bij de reële kostprijs van ondersteuning in natura, met uitzondering van bepaalde specifieke kostenposten zoals risico-opslag en formele organisatieverplichtingen;

    • c.

      in overeenstemming is met de Algemene Maatregel van Bestuur inzake reële tarieven, en;

    • d.

      op transparante wijze is opgebouwd op basis van de zogeheten kostprijselementenmethode, zoals uitgewerkt door Bureau HHM (laatstelijk geactualiseerd op 23-05-2025)

  • 3.

    De kostprijselementenmethode bevat onder meer de volgende elementen:

    • a.

      directe loonkosten (cao-mix, inschaling op een vast percentage van schaalmaximum, inclusief werkgeverslasten, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering);

    • b.

      een beperkte overheadvergoeding (gemiddeld tussen 3,06% en 3,30%, afhankelijk van cao-sector);

    • c.

      correcties voor productiviteit, groepsgrootte, vakantie-uren en onregelmatigheid;

    • d.

      overige kosten zoals lichte catering, reiskosten en huisvestingsopslag (indien van toepassing).

  • 4.

    Er worden twee pgb-tariefsoorten onderscheiden:

    • a.

      formele/ professionele hulp: geleverd door een niet-gecontracteerde organisatie of een zelfstandig beroepsbeoefenaar (zzp’er), die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 20 van deze verordening. Het tarief is gebaseerd op de in lid 3 genoemde kostprijselementen;

    • b.

      informele/ niet professionele hulp: geleverd door een persoon uit het sociale netwerk van de inwoner, waarbij het tarief is gebaseerd op het wettelijk minimumloon, vermeerderd met een opslag voor werkgeverslasten. De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks vastgesteld door het college in het financieel besluit, op basis van actuele landelijke cijfers en adviezen, waaronder van Per Saldo, en in lijn met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2025:1380).

  • 5.

    Als het op grond van de bovenstaande leden vastgesteld budget in een individueel geval aantoonbaar onvoldoende is om de benodigde voorziening te kunnen inkopen, past het college het tarief zodanig aan dat de voorziening bij ten minste één passende aanbieder kan worden ingekocht, met een maximum van 100% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura.

  • 6.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen, inclusief dagbesteding in het kader van beschermd wonen, wordt bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget. Dit bedraagt ten hoogste 100% van de maximale kostprijs van de voorziening in natura.

  • 7.

    Het college stelt nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel, waaronder een financieel besluit Wmo en Jeugd, waar per product(groep) jaarlijkse indexering plaatsvindt op basis van het prijspeil zoals dat ook geldt voor natura-voorzieningen.

 

Artikel 22 Financiële tegemoetkoming

  • 1.

    Het college verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie een financiële tegemoetkoming aan personen voor:

    • a.

      éénmalige verhuis- en inrichtingskosten;

    • b.

      het bezoekbaar maken van een woning;

    • c.

      kosten voor het vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en de inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer;

    • d.

      de aanschaf en instandhoudingskosten van een sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel, die noodzakelijk is in verband de zelfredzaamheid en participatie voor een periode van minimaal drie jaar.

 

Hoofdstuk 7: Bijdrage in de kosten

Artikel 23 Bijdrage voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    De bijdragen in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen, waaronder maatschappelijke opvang, worden door het CAK vastgesteld en geïnd;

  • 3.

    Geen bijdrage is verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelvoorzieningen;

    • b.

      sportvoorzieningen;

    • c.

      verhuiskostenvergoeding;

    • d.

      bezoekbaar maken van de woning;

  • 4.

    Geen bijdrage is verschuldigd voor de algemene voorziening huishoudelijk hulp.

  • 5.

    De bijdrage in de kosten blijft verschuldigd als de inwoner tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel het pgb;

  • 6.

    Is de startdatum van de ondersteuning of voorziening de eerste dag van de maand, dan betaalt de inwoner in die maand de bijdrage in de kosten. Is de datum later in de maand, dan betaalt de inwoner vanaf de volgende maand.

  • 7.

    De bijdrage in de kosten stopt in de maand waarin de ondersteuning of voorziening is gestopt.

  • 8.

    Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, en;

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.

 

Artikel 24 Hoogte bijdrage in de kosten

  • 1.

    Voor algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen (collectief vervoer, beschermd wonen en opvang uitgezonderd) bedraagt de hoogte van de bijdrage voor één of meerdere voorzieningen tezamen het bedrag per maand zoals genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en 2.1.4a lid 4 van de wet voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner en diens echtgenoot tezamen.

  • 2.

    Voor collectief vraagafhankelijk vervoer is een bijdrage verschuldigd voor ritten, niet zijnde vervoer naar de dagbesteding. De inwoner betaalt per rit een bijdrage rechtstreeks aan de vervoerder. De actuele tarieven zijn opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

  • 3.

    Voor beschermd wonen, verstrekt in de vorm van zorg in natura, wordt een eigen bijdrage berekend door het CAK op basis van inkomen, vermogen, leeftijd en samenstelling van het huishouden.

  • 4.

    De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 5.

    In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een inwoner op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit Wmo2015 geen bijdrage verschuldigd zijn.

Artikel 25 Berekening kostprijs voorzieningen

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt vastgesteld op het bedrag dat het college aan kosten maakt voor de levering van de desbetreffende voorziening. Hierbij worden in ieder geval de inkoopprijs, de kosten van onderhoud, verzekering, administratie en overige directe kosten meegerekend.

  • 2.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt vastgesteld op het bedrag van het toegekende pgb zoals opgenomen in de beschikking. Dit bedrag wordt gebaseerd op het ingediende pgb-budgetplan en de maximaal verantwoorde tarieven, zoals vastgesteld in de beleidsregels.

  • 3.

    De kostprijs van een algemene voorziening waarop een bijdrage is verschuldigd, wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kosten van die voorziening voor de gemeente, omgerekend naar een kostprijs per gebruiker of per gebruiksmoment, afhankelijk van de aard van de voorziening.

  • 4.

    De kostprijs van collectief vervoer wordt vastgesteld op basis van het tarief per rit, zoals bepaald in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd. Dit tarief wordt jaarlijks geactualiseerd.

  • 5.

    De vastgestelde kostprijs vormt de maximale basis voor het berekenen van de bijdrage in de kosten die de inwoner is verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen over de toepassing en verdere detaillering van de berekeningswijze, mits deze in overeenstemming zijn met dit artikel en het bepaalde in de wet.

 

Hoofdstuk 8: Bestrijding misbruik

Artikel 26 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Het college informeert inwoner dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    De inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, doet melding op verzoek of uit eigen beweging aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening.

  • 3.

    Het college kan een beslissing herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden;

    • e.

      de inwoner de maatwerkvoorziening niet binnen drie maanden gebruikt of voor een ander doel gebruikt;

    • f.

      de inwoner de verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet nakomt of deze overeenkomst door de leverancier wordt beëindigd;

    • g.

      er sprake is van schending van de medewerkingsplicht;

    • h.

      inwoner zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening;

    • i.

      de inwoner zich herhaaldelijk of ernstig misdraagt richting medewerkers van de gemeente, gecontracteerde aanbieders of andere betrokkenen bij de uitvoering van de maatwerkvoorziening, waardoor de levering of uitvoering daarvan ernstig wordt belemmerd.

  • 4.

    Als het college een beslissing op grond van lid 3 onder a heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden of 15 maanden bij een woningaanpassing, na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 6.

    Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening herzien of intrekken als:

    • a.

      niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of op grond van de wet of de verordening;

    • b.

      blijkt dat de inwoner aan wie een pgb is toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in de beschikking.

  • 7.

    Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.

  • 8.

    Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 9.

    Voordat het college een beslissing neemt tot herziening of intrekking op grond van dit artikel, stelt het de inwoner in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken, overeenkomstig artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 27 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of:

    • a.

      de inwoner nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • b.

      de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;

    • c.

      de inwoner nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening;

    • d.

      de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

 

Hoofdstuk 9: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 28 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Gecontracteerde of pgb-aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:

    • a.

      voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

    • b.

      voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;

    • c.

      inzet van de juiste deskundigheid. Voor diensten geldt daarvoor bijlage 1;

    • d.

      ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;

    • e.

      er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

  • 3.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 4.

    Gecontracteerde of pgb-aanbieders van diensten dienen aan de kwaliteitseisen te voldoen zoals genoemd in bijlage 1.

  • 5.

    Als een pgb-aanbieder of gecontracteerde aanbieder van diensten aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 1. Indien de kwaliteitscriteria bij deze aanbieder zijn beoordeeld door de gemeente en de gemeente is van oordeel dat deze aanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende aanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan kan de aanbieder een verzoek indienen bij gemeente om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

 

Artikel 29 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • (I)

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • (II)

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van loon binnen een overeenkomst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • (I)

        aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • (II)

        instructie over het gebruik van de voorziening;

      • (III)

        onderhoud van de voorziening, en

      • (IV)

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

 

Artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Medewerkers van het Samen Doen die namens het college de onderzoeken in het kader van de melding Wmo uitvoeren zijn geïnstrueerd over en in staat tot het hanteren van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • 2.

    De gecontracteerde en pgb-aanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen.

  • 3.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening binnen de wet door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 4.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 5.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning.

 

Artikel 31 Toezichthouders

  • 1.

    Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de Wmo 2015.

  • 2.

    De aangewezen toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

    • b.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;

    • c.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de inwoner of de pgb-beheerder;

    • d.

      vorderen van identificatie;

    • e.

      inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • f.

      het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);

    • g.

      controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

    • h.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de inwoner of de pgb-beheerder heeft gesloten. Voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

    • i.

      controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd.

  • 3.

    Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

 

Hoofdstuk 10: Waardering mantelzorgers

Artikel 32 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat uit het uitreiken van het mantelzorgcompliment.

  • 2.

    De hoogte van het mantelzorgcompliment wordt jaarlijks door het college vastgesteld.

  • 3.

    Mantelzorgers kunnen bij het college melden dat zij een blijk van waardering willen ontvangen. Een vertegenwoordiging van de participatieraad en de mantelzorgorganisaties wordt betrokken bij de werkwijze van het verstrekken van de mantelzorgwaardering.

 

Hoofdstuk 11: Klachten en medezeggenschap

Artikel 33 Klachtregeling

  • 1.

    Het college hanteert de vastgestelde gemeentelijke klachtenregeling voor de afhandeling van klachten, voor zover de klacht betrekking heeft op professionals werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit betreft dan onder andere de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners.

  • 3.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders van maatwerkvoorzieningen en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek;

 

Artikel 34 Medezeggenschap bij aanbieders

  • 1.

    Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 35 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Er is een Participatieraad voor de advisering bij de uitvoering van de wet.

  • 2.

    De Participatieraad bestaat uit leden die in staat zijn de belangen van de ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners, jeugdigen en ouders en hun vertegenwoordigers, in relatie tot de uitvoering van de wet in voldoende mate te behartigen.

  • 3.

    De Participatieraad, als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      wordt door het college betrokken bij de beleidsvoorbereiding en evaluatie;

    • b.

      is bevoegd om uit eigen beweging het college te voorzien van advies ten aanzien van de uitvoering van de wet;

    • c.

      wordt periodiek uitgenodigd voor een overleg over de uitvoering van de wet;

    • d.

      is bevoegd om onderwerpen voor het overleg aan te dragen.

  • 4.

    Het college draagt er zorg voor dat de Participatieraad tijdig in het bezit is van alle informatie die noodzakelijk is voor het overleg met de gemeente of om zijn adviesrol naar behoren uit te oefenen. Hierbij wordt aansluit gezocht bij de termijnen zoals genoemd in de verordening van de Participatieraad.

 

Hoofdstuk 12: Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 36 Nadere regels

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over de uitvoering van deze verordening.

 

Artikel 37 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 38 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De verordening maatschappelijk ondersteuning Hardenberg 2023 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening, tenzij dit nadelig voor de inwoner uitpakt.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

  • 5.

    Van lid 4 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.

 

Artikel 39 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 16 december 2025.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

F.G.S. Droste M.W. Offinga

Bijlage 1: Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers

Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en moeten kwalitatief goede zorg bieden, waarin de inwoner en zijn netwerk centraal staan. In deze bijlage staan (aanvullende) kwaliteitseisen, naast die de relevante wetgeving noemt, waaraan deze pgb zorgaanbieders en eventuele onderaannemers aan moeten voldoen. Deze eisen zijn ook aan de gecontracteerde aanbieders gesteld om de kwaliteit van de zorg te waarborgen.

Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt de pgb-aanbieder bedoeld.

 

Algemene eisen

  • 1.

     

Zorgaanbieder voldoet aan de regels zoals vastgelegd in de Zorgbrede Governance code. Zorgaanbieder is op de hoogte van de regels van deze code en handelt conform deze code.

  • 2.

     

Zorgaanbieder verleent hulp of ondersteuning met inachtneming van de eisen die volgens de algemeen aanvaarde professionele standaard aan Zorgaanbieder worden gesteld. De bij de zorgaanbieder in dienst zijnde medewerkers houden zich aan de voor hen geldende beroepscode.

  • 3.

     

Zorgaanbieder stelt zich op de hoogte van de laatste relevante ontwikkelingen, kwaliteitseisen en wet- en regelgeving op landelijk niveau en handelt ernaar (oa. Jeugdwet, Wmo, Wtza, Wlz, Zvw en Wet Bibob).

  • 4.

     

Zorgaanbieder neemt kennis van:

  • Het Hardenbergse Model voor Ondersteuning;

  • De actuele beleidsregels en verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Hardenberg.

Zorgaanbieder onderschrijft de beleidsmatige uitgangspunten en handelt ernaar. Zorgaanbieder conformeert zich aan wijzigingen in beleid en lokale wet- en regelgeving.

  • 5.

     

Zorgaanbieder salarieert maximaal overeenkomstig de Wet Normering Topinkomens en bijbehorende nadere regelingen.

  • 6.

     

Zorgaanbieder dient op werkdagen minimaal van 09.00 – 17.00 uur telefonisch bereikbaar te zijn voor het college.

Uitvoering/levering ondersteuning

  • 7.

     

Zorgaanbieder behandelt inwoners en medewerkers van het college op een respectvolle wijze en zet geen zogenoemde agressieve verkooptechnieken in.

  • 8.

     

De Zorgaanbieder signaleert veranderingen in de situatie van de inwoner en zijn omgeving/sociale netwerk met mogelijk gevolgen voor de mate van de inzet voor de inwoners. Zorgaanbieder bespreekt deze veranderingen in de situatie van de inwoner met de Inwoner. Vervolgens meldt inwoner of zorgaanbieder deze verandering in de situatie bij de het college.

  • 9.

     

Zorgaanbieder zoekt actief naar mogelijkheden om hulp of ondersteuning af te schalen. Dat wil zeggen verkorten van ondersteuningsduur, complexiteit of intensiteit (bijvoorbeeld door inzet van voorzieningen uit het voorliggend veld, vrijwilligers en eigen netwerk van de inwoner). De hulp of ondersteuning is gericht op ontwikkeling, blijvende participatie en/of stimulering van de zelfredzaamheid, passend bij de levensfase van de inwoner.

  • 10.

     

Zorgaanbieder draagt zorg voor gelijkwaardige vervanging (continuïteit en kwaliteit) bij afwezigheid van de (ingehuurde) medewerker van zorgaanbieder, bijvoorbeeld door verlof of ziekte.

  • 11.

     

Zorgaanbieder zal het Hulpverleningsplan (zonder vertrouwelijke informatie) of na toestemming van de inwoner aan het college te verstrekken.

  • 12.

     

Zorgaanbieder treedt op als casusregisseur. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het opstellen, bewaken, structureren en coördineren van de uitvoering van het hulp of ondersteuning. Hierbij draagt de zorgaanbieder zorg voor een effectieve en efficiënte samenwerking op operationeel niveau. De casusregisseur draagt zorg voor de continuïteit en kwaliteit van de hulp of ondersteuning. Daar waar hapering of stagnatie optreedt meldt de zorgaanbieder dit bij het college en vindt waar nodig afstemming plaats tussen het college en zorgaanbieder. Het college heeft dan de verantwoordelijkheid om het proces weer op gang te brengen.

  • 13.

     

Als de inwoner overgaat naar een andere zorgaanbieder, zorgt zorgaanbieder voor een soepele, professionele overdracht naar deze (nieuwe) zorgaanbieder, waarbij de continuïteit van de hulp of ondersteuning is gewaarborgd. Zorgaanbieder draagt terstond, maar uiterlijk binnen één (1) week na de overdracht het dossier van de Inwoner compleet en kosteloos over aan deze zorgaanbieder en neemt daarbij de privacywetgeving in acht.

  • 14.

     

Hulp of ondersteuning die wordt ingezet voordat een maatwerkvoorziening is verstrekt zal niet worden vergoed. Indien de looptijd van de maatwerkvoorziening is verstreken en deze niet is vervangen door een nieuwe maatwerkvoorziening, wordt de hulp of ondersteuning niet vergoed.

Hulpverleningsplan

  • 15.

     

De zorgaanbieder maakt met inwoners duidelijke werkafspraken over de levering van de hulp of ondersteuning, vastgelegd in een hulpverleningsplan. Basis voor dit hulpverleningsplan is het ondersteuningsplan dat door de het college wordt opgesteld of de verwijzing van een derde. Dit hulpverleningsplan voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

  • Het hlpverleningsplan wordt samen met (een wettelijk vertegenwoordiger van) de inwoners opgesteld en aan de Inwoner verstrekt.

  • Zorgaanbieder laat contacten met derden verlopen via de persoon die daarvoor is vermeld in het hulpverleningsplan, tenzij door bijzondere omstandigheden. Zorgaanbieder genoodzaakt hiervan af te wijken.

  • Het hulpverleningsplan dat de zorgaanbieder maakt, moet aansluiten op de doelen die in het ondersteuningsplan of een verwijzing van derde zijn geformuleerd.

  • Het hulpverleningsplan wordt minimaal één keer per jaar met de Inwoner en/of de vertegenwoordiger van de inwoner besproken. In het hulpverleningsplan wordt dit vastgelegd. Bijstellingen en veranderingen in het hulpverleningsplan worden schriftelijk vastgelegd.

  • De hulp of ondersteuning wordt conform het gemaakte hulpverleningsplan geboden. Het hulpverleningsplan vertaalt de opdracht in concrete werkafspraken: welke hulp of ondersteuning ontvangt de inwoner, op welke dagen en tijdstippen (passend in zijn dag- weekprogramma) gedurende de bepaalde looptijd.

  • Het hulpverleningsplan beschrijft hoe de ondersteuning wordt vormgegeven en afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de inwoner daar waar mogelijk een actieve rol speelt of gaat spelen in het ondersteuningsproces.

  • Het hulpverleningsplan beschrijft hoe de inzet van voorzieningen uit het voorliggend veld een bijdrage kunnen (gaan) leveren in het hulp of ondersteuningsproces.

  • Indien delen van de hulp of ondersteuning worden uitgevoerd door anderen dan de zorgaanbieder, dan wordt dit in het hulpverleningsplan vermeld.

Beëindiging hulp of ondersteuning

  • 16.

     

Zorgaanbieder sluit de hulp of ondersteuning af met een eindevaluatie welke is ondertekend door inwoner. In de eindevaluatie worden de gestelde doelen en resultaten vanuit het hulpverleningsplan geëvalueerd.

Kwaliteit 

  • 17.

     

De zorgaanbieder dient bij methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken:

  • Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies.

  • Nederlands Jeugd Instituut: Databank Effectieve Jeugdinterventies.

  • Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ.

  • Vergelijkbaar: Een interventie die beschikt over een vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning.

De zorgaanbieder is verplicht de in het kader van de hulp of ondersteuning in te zetten methodieken op te nemen in het Hulpverleningsplan. Indien het gaat om een (nieuwe) interventie of methodiek die niet is opgenomen en beschreven in één van de in het bovenstaand beschreven databanken, heeft het college het recht de methodiek te verifiëren en accorderen.

  • 18.

     

Zorgaanbieder is bekend met het gedachtegoed van Positieve gezondheid en werkt vanuit dit gedachtegoed.

  • 19.

     

De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is. Hulp of ondersteuning wordt in elk geval:

  • Veilig, doeltreffend, doelmatig en inwoner gerichtverstrekt.

  • Afgestemd op de reële behoefte van de inwoner en op andere vormen van hulp of ondersteuning of hulp die de inwoner ontvangt.

  • Systeemgericht aangeboden, er is een naadloze verbinding tussen de hulp of ondersteuning voor de Inwoner en zijn gezin, het sociale netwerk en directe leefomgeving (thuis, in de wijk, op school, werk, dagbesteding enzovoort). Het is van belang dat bij gezinnen met jeugdigen altijd naar het hele systeem wordt gekeken.

  • 20.

     

Als zorgaanbieder inschat dat het waarschijnlijk is dat een inwoner in aanmerking komt voor hulp of ondersteuning op grond van een andere wet, en deze ondersteuning nodig is om tot een oplossing van de hulp- of ondersteuningsvraag van de inwoner te komen, begeleidt zorgaanbieder de inwoner bij het aanvragen hiervan of spreekt zij met de reeds betrokken zorgaanbieder af dat de zorgaanbieder hierin begeleidt.

  • 21.

     

Zorgaanbieder en indien van toepassing onderaannemers en/of samenwerkende partijen werken mee aan van toepassing zijnde inspecties door de daarvoor aangewezen organisaties en geven opvolging aan aanbevelingen die hieruit naar voren komen. Zorgaanbieder dient het college over de aanbevelingen te informeren en dient concreet aan te geven indien aanbevelingen de hulp of ondersteuning aan de Inwoners van het college raakt.

  • 22.

     

Zorgaanbieder voldoet daarnaast aan de gestelde eisen ter bevordering van de rechtspositie van de Inwoner, waaronder in ieder geval:

  • het afhandelen van klachten;

  • het organiseren van medezeggenschap;

  • het verantwoorden van de naleving van gestelde kwaliteitseisen.

Deskundigheid medewerkers Wmo begeleiding

  • 23.

     

De ondersteuning op grond van de Wmo 2015 wordt verleend door een medewerker die beschikt over een afgeronde en voor de ondersteuning relevante[1] beroepsopleiding van minimaal mbo niveau 4. De aanvullende inzet van medewerkers met een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van mbo 3 niveau of lager is toegestaan indien:

  • De inzet van medewerkers met een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van mbo 3 niveau of lager doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de Ondersteuning.

  • De medewerker beschikt minimaal over een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding op mbo-3 niveau.

  • Inzet van medewerkers op niveau mbo-1 en mbo-2 is slechts mogelijk in de volgende situaties:

    • °

      Het in beperkte mate uitvoeren van ondersteunende werkzaamheden onder direct toezicht van een medewerker die beschikt over een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van minimaal mbo niveau 4.

    • °

      De inzet als ervaringsdeskundige onder direct toezicht van een medewerker die beschikt over afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van minimaal mbo niveau 4

  • De inzet van een medewerker met een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van mbo 3 niveau of lager vindt altijd plaats op basis van een weloverwogen keuze door de Zorgaanbieder die aansluit bij de norm verantwoorde werktoedeling.

  • Er zijn duidelijke schriftelijke afspraken gemaakt over de taken en verantwoordelijkheden tussen de medewerker met een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van mbo 3 niveau of lager en de medewerker die beschikt over een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van minimaal mbo niveau 4.

  • Het is voor de Inwoner duidelijk welke medewerker - die beschikt over een afgeronde en voor de ondersteuning relevante beroepsopleiding van minimaal mbo niveau 4 - de regie voert en het aanspreekpunt is.

Personeel

  • 24.

     

Levering geschiedt door inzet van voldoende gekwalificeerde medewerkers en – voor zover van toepassing - op basis van een voor Zorgaanbieder geldende cao.

  • 25.

     

Zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met Inwoners. De VOG mag niet ouder zijn dan drie (3) maanden bij aanvang van de werkzaamheden van de medewerker. Zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is.

  • 26.

     

Zorgaanbieder beperkt voor de inwoner zoveel mogelijk het aantal wisselingen van medewerkers die hulp of ondersteuning leveren.

Inzet vrijwilligers

  • 27.

     

Indien zorgaanbieder gebruik maakt van vrijwilligers bij de hulp of ondersteuning van de inwoner, draagt hij er zorg voor dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van de hulp of ondersteuning wordt geborgd.

  • 28

     

De zorgaanbieder faciliteert en begeleidt de ingezette vrijwilligers.

  • 29.

     

Vrijwilligers met inwoner contact dienen in ieder geval te beschikken over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’.

  • 30.

     

Zorgaanbieder garandeert dat vrijwilliger met Inwoner contact:

  • Een getekende geheimhoudingsverklaring indient;

  • De Nederlandse taal beheerst;

  • Zich kan legitimeren als vrijwilliger van zorgaanbieder;

  • Een klantvriendelijke, hulpvaardige en servicegerichte instelling heeft;

  • De culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/ of leefwijze van de Inwoner respecteert.

Inzet onderaannemers

  • 31.

     

Inzet van onderaannemers is alleen toegestaan indien de het college hier schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. Hulp of ondersteuning die is geleverd door een onderaannemer waarvoor deze toestemming ontbreekt, kan niet in rekening worden gebracht bij het college.

Inzet coöperaties

  • 32.

     

Het college gaat ten aanzien van coöperaties aanvullende voorwaarden stellen met betrekking tot de inzet van de leden van de coöperatie. Deze liggen in lijn met hetgeen van hoofd-onderaannemers gevraagd wordt.

Op hoofdlijnen is dat:

  • Het college gaat er van uit dat de coöperatie alleen integere coöperatieleden inschakelt.

  • Het college kan de integriteit van coöperatieleden toetsen.

Het college kan voorwaarden verbinden aan deze goedkeuring.

Samenwerking

  • 33.

     

De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met medewerkers van andere relevante organisaties onder andere: gezondheidszorg, begeleiders op school, thuiszorg.

Klachtenregeling en cliëntervaringsonderzoek

  • 34.

     

Zorgaanbieder draagt zorg voor een adequate klachtenprocedure vergelijkbaar met de procedure zoals omschreven in de artikelen 13 t/m 17 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: WKKGZ), welke voorziet in een snelle en correcte afhandeling van klachten van Inwoners. Zorgaanbieder is tevens aangesloten bij een onafhankelijk geschilleninstantie.

  • 35.

     

Zorgaanbieder draagt actief bij aan een cliënttevredenheidsonderzoek Menselijke Maat.

Meldplichten

  • 36.

     

Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Zorgaanbieder hanteert een ‘meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’ en bevordert het gebruik en de kennis van de Meldcode onder medewerkers. Indien er sprake is van onveiligheid (in het kader van de Meldcode), dan stelt de Zorgaanbieder een veiligheidsplan op. Zorgaanbieder wijst ten minste één aandachtsfunctionaris aan die lid is van de landelijke vakgroep aandachtsfunctionarissen kindermishandeling (LVAK). Deze aandachtsfunctionaris waarborgt de implementatie van de Meldcode. Deze functionaris is aanspreekpunt voor de zorg- en veiligheidspartners in het kader van de aanpak van huiselijk geweld en participeert in het ontwikkelplan huiselijk geweld en kindermishandeling van de het college Hardenberg. Ook is de aandachtsfunctionaris bekend met de specialisten die kunnen worden ingeschakeld voor specifieke vormen van huiselijk geweld.

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG )

Zorgaanbieder meldt datalekken bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Calamiteiten en geweldsincidenten

Zorgaanbieder is bekend en handelt conform de vigerende calamiteitenprotocollen van de IGJ en het college. Zorgaanbieder meldt calamiteiten en geweldsincidenten[2] zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie (3) werkdagen) bij Het college en – waar het gaat om zorg of ondersteuning op grond van de Jeugdwet – aan de IGJ. Dit in verband met de coördinatie van (dreigende) maatschappelijke onrust[3] en/of (verwachte) media-aandacht.

Ontslag medewerker wegens disfunctioneren

Zorgaanbieder die zorg of ondersteuning op grond van de Jeugdwet biedt doet binnen drie (3) werkdagen melding bij de IGJ bij ontslag van een medewerker wegens disfunctioneren.

Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ)

Zorgaanbieder meldt signalen over (vermoedens van) fraude, financiële fouten, kwaliteitsproblemen of ongewenste werkwijzen bij het LMZ.

  • 37.

     

Zorgaanbieder stelt Het college binnen vijf (5) werkdagen op de hoogte van:

  • Meldingen van Zorgaanbieder bij de Autoriteit Persoonsgegevens;

  • Meldingen van Zorgaanbieder bij de IGJ/Wmo-toezicht;

  • Elk onderzoek dat door een derde (o.a. het college, toezichthouder van andere colleges, Justitie, Belastingdienst etc.) wordt gestart naar zorgaanbieder;

  • Elke maatregel die een derde treft jegens zorgaanbieder;

  • Feiten en omstandigheden waarbij sprake is/zal zijn van maatschappelijke onrust en/of media-aandacht;

  • Feiten en omstandigheden die tot een afwijking van de bepalingen uit de deze bijlage of tot (gedeeltelijke) niet nakoming van deze bijlage zouden kunnen leiden.

Bedrijfsvoering

  • 38.

     

De zorgaanbieder voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, inwonersdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming.

  • 39

     

De zorgaanbieder heeft schriftelijk vastgelegd welke organen van de Zorgaanbieder bevoegd zijn ten aanzien van welk onderdeel of aspect van de bedrijfsvoering.

  • 40.

     

De zorgaanbieder heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe de hulp of ondersteuning wordt georganiseerd. Daarbij wordt gemeld van welke andere bedrijven of dochterondernemingen gebruik wordt gemaakt en wat de aard is van de relaties met die andere verbanden, waaronder begrepen verantwoordelijkheden, taken en beslissingsbevoegdheden.

  • 41.

     

De activiteiten van de zorgaanbieder in het kader van de maatwerkvoorziening worden in de bedrijfsadministratie financieel onderscheiden van andere activiteiten van de zorgaanbieder.

  • 42.

     

Het college mengt zich niet in deze ondernemingsvrijheid, tenzij de bedrijfsvoering en/of de financiële situatie van de organisatie de continuïteit en de kwaliteit van de hulp of ondersteuning in gevaar brengt. Van een gevaar voor de continuïteit is sprake indien in eenzelfde boekjaar sprake is van een negatief eigen vermogen én een negatief financieel resultaat. Om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen dient de zorgaanbieder te voldoen aan onderstaande voorwaarden:

  • aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden worden geen leningen verstrekt die geen verband houden met de te leveren ondersteuning en/of niet verstrekt zijn met zekerheidsstelling en tegen marktconforme rente en voorwaarden;

  • de zorgaanbieder huurt geen vastgoed van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de regio en de branche niet marktconforme voorwaarden;

  • de zorgaanbieder neemt geen diensten of leveringen van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden af tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden;

  • de zorgaanbieder draagt geen management-, consultatie- of franchisevergoedingen af aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden;

  • de zorgaanbieder onttrekt geen bedragen aan de bedrijfsvoering op een voor de branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze.

  • 43.

     

Zorgaanbieder conformeert zich aan het principe ‘zorggeld moet worden besteed aan zorg’. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt dat zorgaanbieder 5% van het voorwerp van de Opdracht reserveert voor reserves. Bij significante afwijkingen zal Het college in gesprek gaan met Zorgaanbieder over de kwaliteit en de rechtmatigheid van de geleverde en gedeclareerde hulp of ondersteuning en de herkomst van het hoge of lage nettoresultaat.

Goed werkgeverschap, -het collegeschap en passende beloning

  • 44.

     

Zorgaanbieder past de relevante CAO’s toe. Zorgaanbieder kiest ten behoeve van het realiseren van één (1) werkgever, gelet op zijn taken en de werkingssfeer-bepaling in de CAO’s, een passende CAO. Dit betekent niet dat CAO’s geharmoniseerd moeten worden, maar dat er één dominante CAO is.

  • 45.

     

Zorgaanbieder stelt medewerkers die worden ingehuurd als payroll- of uitzendkracht gelijk wat betreft de beloning conform wet Waadi. Daarmee hebben deze inhuurkrachten recht op de eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage, naast de andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de uitzend-CAO(ABU).

  • 46.

     

Zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip goed werkgeverschap (denk aan zorgvuldig, sociaal, transparant en controleerbaar). Het college beschouwt in ieder geval verloop (uitstroom fte/totaal fte), verzuim (aantal ziektedagen medewerkers / totaal aantal beschikbare dagen medewerkers) en de tevredenheid en ontwikkeling van medewerkers als indicatoren voor goed werkgeverschap. Zorgaanbieder streeft naar duurzame inzetbaarheid van medewerkers en zet zich in om verzuim te voorkomen.

  • 47.

     

Zorgaanbieder voldoet aan de wetgeving omtrent arbeidsomstandigheden. Zorgaanbieder zorgt voor de veiligheid, gezondheid en welzijn van medewerkers conform de Arbo-eisen. Zorgaanbieder draagt zorg voor een actief HR-beleid voor het werven en deskundig en vitaal houden van medewerkers.

 

Begeleiding Individuele en Groep Wmo

  • 48.

     

Individuele begeleiding kan niet op hetzelfde moment worden ingezet in combinatie met begeleiding groep. Individuele begeleiding en begeleiding groep kunnen wel naast elkaar worden ingezet.

  • 49.

     

Begeleiding individueel stabilisatiegericht wordt verleend door één medewerker met (minimaal) een afgeronde en voor de zorg relevante[4] opleiding op MBO 3 niveau.

  • 50.

     

Begeleiding groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Eén etmaal is maximaal twee dagdelen.

  • 51.

     

Begeleiding groep ontwikkelingsgericht wordt verleend door minimaal één medewerker met (minimaal) een afgeronde en voor de zorg relevante[5] opleiding op MBO 4 niveau op maximaal acht (8) inwoners.

  • 52.

     

Begeleiding groep belevingsgericht wordt verleend door minimaal één medewerker met (minimaal) een afgeronde en voor de zorg relevante[6] opleiding op MBO 3 niveau op maximaal tien (10) inwoners.

  • 53.

     

Zorgaanbieder zorgt dat de locatie voor begeleiding groep waar ondersteuning plaatsvindt, voldoet aan alle relevante wet- en regelgeving (zoals bestemmingsplan). Waar nodig heeft het college de vereiste vergunningen verstrekt om ter plaatse hulp te bieden. De locatie is aangepast aan (de kwetsbaarheid van) de doelgroep.

  • 54.

     

De zorgaanbieder voorziet in de mogelijkheid vervoer van – en naar de locatie waar begeleiding groep wordt geboden indien inwoner gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is om zich zelfstandig te verplaatsten tussen zijn woon- of verblijfplaats en de locatie waar de begeleiding groep wordt geboden. Vervoer wordt ingezet op indicatie.

 

Opleidingseisen

De gemeente stelt eisen aan de deskundigheid van medewerkers Wmo begeleiding en jeugdhulp zoals hierboven opgenomen. Medewerkers moeten beschikken over een afgeronde voor de hulp of ondersteuning relevante beroepsopleiding. Onder een relevante beroepsopleiding wordt in ieder geval verstaan:

 

1. Middelbaar Beroepsonderwijs:

  • MBO relevante opleidingen volgens bijgevoegd overzicht (op basis van CREBO).

  • MBO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.

  • Relevante Associate Degree-opleiding wordt beschouwd als een MBO opleiding tenzij aantoonbaar in CAO anders ingeschaald.

     

2. Hoger Beroepsonderwijs:

  • HBO relevante opleiding volgens bijgevoegd overzicht (op basis van SKJ).

  • HBO relevante opleiding volgens bijgevoegd overzicht (op basis van CROHO).

  • HBO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.

  • Met een correct SKJ-registratienummer, afgegeven na 1-1-2019, kan iemand aantonen een relevante HBO-opleiding te hebben genoten.

  • Bij een relevant HBO-master diploma dient een relevant HBO-Bachelor diploma te worden aangeleverd.

 

3. Universitair Onderwijs:

  • WO relevante opleiding volgens vastgesteld CROHO schema.

  • WO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.

  • Bij een relevant WO-master diploma dient een relevant Bachelor diploma te worden aangeleverd.

     

4. EVC/Vakbekwaamheidsbewijs

Wanneer een medewerker niet over een relevant MBO- en/of HBO-diploma beschikt kan via een EVC-traject bij een erkende EVC-aanbieder aangetoond worden dat de medeweker door middel van werkervaring wel vakbekwaam is.

Het Nationaal Kenniscentrum EVC beheert en onderhoudt het register inzake de EVC procedures van erkende EVC aanbieders. Via een procedure voor het Erkennen van jouw Verworven Competenties (EVC) wordt aan de hand van een erkende EVC standaard precies in kaart gebracht wat je daarvan aan kennis en vaardigheden in huis hebt. Er wordt gekeken naar wat je in de praktijk hebt (bij)geleerd en dit alles wordt vastgelegd in een uitgewerkt persoonlijk ervaringscertificaat. Met een Ervaringscertificaat kun je vervolgens de Examenkamer vragen om een vakbekwaamheidsbewijs af te geven.

Voor meer informatie:

Website Nationaal Kenniscentrum EVC: https://www.ervaringscertificaat.nl/

Website Examenkamer: https://www.examenkamer.nl/ 

 

5. Buitenlandse diploma’s:

Buitenlandse diploma’s of andere vorm van validering van formeel onderwijs worden slechts geaccepteerd onder overleggen van een door namens de Nederlandse overheid door SBB of Nuffic afgegeven diplomavergelijking of waardering.

 

6. Buitenlandse Vakbekwaamheidsbewijs:

Buitenlandse bewijzen van vakbekwaamheid en andere vormen van validering van informeel en non formeel leren en vakvolwassenheid worden slechts geaccepteerd onder overleggen van een door namens de EVC convenant partners door het Nationaal Kenniscentrum EVC afgegeven verklaring inzake vakvolwassenheid en/of vakbekwaamheid.

 

7. Aanvullende eisen:

Bij Jeugd dient gewerkt te worden volgens de norm verantwoorde werktoedeling.[7] Bij de uitvoering van Jeugdhulp is een SKJ of BIG registratie verplicht zoals genoemd in artikel 4.1.6 Jeugdwet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet. Er kan slechts een niet geregistreerde professional worden ingezet indien aannemelijk wordt gemaakt dat de kwaliteit van de uit te voeren taak niet nadelig wordt beïnvloed.

 

8. Onderwijsregisters:

MBO: CREBO: Centraal Register Beroepsonderwijs

HBO: CROHO: Centraal Register Hoger Onderwijs

WO: CROHO: Centraal Register Hoger Onderwijs

DUO: Register van op naam gestelde diploma’s

   

Opleidingen MBO- CREBO register 

 

Crebo nummer

Crebo naam

Niveau

10431

Sociaal Dienstverlener

4

10433

Sociaal Pedagogisch Werker

4

10743

Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW 4)

4

91430

Medewerker gehandicaptenzorg niveau 4

4

92661

Maatschappelijke Zorg (Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg)

4

92662

Maatschappelijke Zorg (Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen)

4

92670

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener (Sociaal-maatschappelijk dienstverlener)

4

92660

Maatschappelijke Zorg 4

4

25474

Agogisch medewerker GGZ

4

25479

Thuisbegeleider

4

92601

MBO-Verpleegkundige (Geestelijke Gezondheidszorg)

4

92602

MBO-Verpleegkundige (Gehandicaptenzorg)

4

10742

Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW 3)

3

10744

Sociaal Dienstverlener (SD)

3

92650

Maatschappelijke Zorg (Medewerker maatschappelijke zorg)

3

92611

Verzorgende (Geestelijke Gezondheidszorg) (incl. BIG-registratie)

3

92612

Verzorgende (Gehandicaptenzorg) (incl. BIG-registratie)

3

  

Opleidingen HBO – WO – CROHO register

 

Croho nummer

Croho naam

Internationale naam

34507

HBO Toegepaste Psychologie

81006

HBO Toegepaste Psychologie

30114

HBO Applied Psychology

4075

HBO Jeugdpsychologie

34075

HBO Jeugdpsychologie

6853

HBO psychologie vanuit biologisch en cognitivistisch perspectief

70193

HBO M Master in Toegepaste Psychologie voor professionals

70193

HBO M Toegepaste Psychologie voor Professionals

60260

WO Psychologie (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

66604

WO Psychology (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

60077

WO Social Psychology (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

60076

WO Psychologie en Geestelijke Gezondheid (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

60216

WO Gezondheidszorg Psychologie (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

66581

WO Medische Psychologie (incl. NIP-registratie of SKJ-master)

40019

HBO M Jeugdzorg

49146

HBO M Master Interprofessioneel werken met Jeugd

35158

HBO Pedagogiek

44113

HBO M Pedagogiek

66607

WO Pedagogische Wetenschappen (incl. NVO-registratie)

34617

HBO Sociaal Pedagogische Hulpverlening

81032

HBO Sociaal Pedagogische Hulpverlening

81028

HBO Social Work (voorheen Sociale Academie)

34116

HBO Social Work (voorheen Sociale Academie)

34608

HBO Sociaal Werk

44116

HBO M Social Work

49500

HBO M Social Work (joint degree)

70161

HBO M Social Work & Innovation

40101

HBO M Health Care and Social Work

34616

HBO Maatschappelijk Werk en Dienstverlening

B Social Work and Social Services

34610

HBO Culturele en Maatschappelijke Vorming

34585

HBO Psychomotorische Therapie en Bewegingsagogie

B Arts Therapies

34644

HBO Vaktherapie

B Arts Therapies

49303

HBO M Vaktherapie

M Arts Therapies

49108

HBO M International Master of Arts Therapies

M International Master of Arts Therapies

39199

HBO Counselling

B Counselling

70118

HBO M Contextuele Hulpverlening

39283

HBO Verpleegkunde

 

Opleidingen o.b.v. SKJ registratie

 

Naam opleiding

hbo-bachelor Social Work

hbo-bachelor Pedagogiek

hbo-bachelor Maatschappelijk werk en dienstverlening (MWD)

hbo-bachelor Sociaal pedagogische hulpverlening (SPH)

hbo-bachelor Toegepaste psychologie (TP)

getuigschrift master Jeugdzorg

vakbekwaamheidsbewijs ‘vakbekwame hbo jeugd en gezinsprofessional’

branchecertificaat jeugdzorgwerker

hbo-bachelor met certificaat maatwerktraject

hbo-bachelor Culturele en maatschappelijke vorming (CMV)

hbo-bachelor Creatieve therapie

hbo-bachelor Vaktherapie

hbo-bachelor Godsdienst pastoraal werk

hbo-bachelor Theologie (Fontys)

hbo Inrichtingswerk

hbo Jeugdwelzijnswerk

hbo Kreatief Educatief Werk

hbo Cultureel werk

hbo Maatschappelijk werk (MW)

hbo Ortho agogisch

hbo Orthopedagogiek

hbo Ecologische pedagogiek

akte Pedagogiek MO-A

hbo Psychologie

hbo SJW

hbo Psychosociaal Werk

hbo Kinderverzorging en opvoeding

hbo-bachelor Social Work profiel Zorg

hbo-bachelor Social Work profiel Welzijn en Samenleving

wo-master psychologie

wo-master (ortho)pedagogiek

 

[1] Waar hier gesproken wordt over relevante beroepsopleiding, zie opleidingseisen verderop uit bijlage 1.

   

[2] Een calamiteit is een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een Inwoner heeft geleid. Een geweldsincident is: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een inwoner, alsmede geweld jegens een inwoner, door iemand die in dienst of in opdracht van een instelling of opdrachtnemer van een instelling werkzaam is, dan wel door een andere Inwoner met wie de Inwoner gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een instelling verblijft.

   

[3] Maatschappelijke onrust staat hierbij voor ‘het verschijnsel waarbij één of enkele incidenten plaatsvinden die leiden tot subjectieve en/of objectieve problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid’. 

 

[4] Zie opleidingseisen verderop in deze bijlage 1.

   

[5] Zie opleidingseisen verderop uit bijlage 1.

   

[6] Zie opleidingseisen verderop uit bijlage 1.

 

[7] Zie hiervoor Kwaliteitskader Jeugd: kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf (skjeugd.nl)