VERORDENING AFVALSTOFFENHEFFING 2020

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
10-12-2019



VERORDENING AFVALSTOFFENHEFFING 2020

De raad van de gemeente Hardenberg ;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13 november 2019, nummer 13714;

 

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

Besluit:

 

vast te stellen de:

 

Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing 2020

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    'Gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

  • 2.

    G.F.T.-afval: groente-, fruit- en tuinafval;

  • 3.

    P.M.D.-afval: plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons;

  • 4.

    Restafval: huishoudelijk afval niet zijnde G.F.T.-afval en P.M.D.-afval;

  • 5.

    Minicontainer: de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbakken, waaronder city-bins, onderverdeeld in verschillende volumes;

  • 6.

    Verzamelcontainer: de vanwege de gemeente geplaatste verzamelcontainers, die kunnen worden ontsloten door middel van chipkaarten;

  • 7.

    Grof huishoudelijk afval: huishoudelijke afvalstoffenstoffen die met enige regelmaat in een huishouden vrij komen, doch die te groot en/of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de verzameldienst te worden aangeboden;

  • 8.

    Grof tuinafval: tuinafval dat met enige regelmaat in een huishouden vrij komt, doch te groot en/of te zwaar is om op dezelfde wijze als G.F.T.-afval aan de verzameldienst te worden aangeboden.

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Voorwerp van de belasting

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

    • a.

      de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

    • b.

      de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

    • c.

      een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • d.

      een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

    • e.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene, die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en tarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 6 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar geheven wordt, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffen

  • 1.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag waarop de verschuldigde belasting is vermeld.

  • 2.

    De gevorderde bedragen als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel worden geheven middels een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het verschuldigd bedrag is vermeld.

  • 3.

    Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting, als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    De belasting, als bedoeld in onderdeel 2.2 en 2.3 van de tarieventabel, is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of, zo dit eerder is, na beëindiging van de belastingplicht.

  • 3.

    Het gevorderde bedrag, als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 6.

    Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor een aanslag die wordt opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking heeft, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen , of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later, met dien verstande dat, indien na de kalendermaand, waarin de aanslagen worden opgelegd, minder dan tien kalendermaanden in het belastingjaar overblijven, de aanslag moet worden betaald in zoveel bedoelde termijnen al er nog kalendermaanden in het jaar overblijven, met een minimum van vier.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor een aanslag die wordt opgelegd na afloop van het belastingjaar waarop zij betrekking heeft, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    In afwijking van het voorgaande moet het gevorderde bedrag, als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel behorende bij deze verordening, tegen contante betaling worden voldaan op het moment van de uitreiking van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

  • 5.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.

Artikel 10 Kwijtschelding

  • 1.

    Voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend.

  • 2.

    Voor het gevorderde bedrag als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 11 Tegemoetkoming

  • 1.

    Indien de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, extra afvalstoffen moeten aanbieden als gevolg van medische omstandigheden (incontinentiemateriaal en stomamateriaal) kan hiervoor per huishouden één verzoek tot tegemoetkoming in de kosten van de afvalstoffenheffing worden aangevraagd. Het verzoek moet samen met een schriftelijke verklaring van een huisarts of medisch specialist worden ingediend bij de heffingsambtenaar van de gemeente. Uit de verklaring van de huisarts of medisch specialist moet blijken dat als gevolg van medische omstandigheden substantieel meer afvalstoffen ontstaan.

  • 2.

    Indien wordt voldaan aan de criteria genoemd in het eerste lid van dit artikel, wordt de grondslag van de afvalstoffenheffing bedoeld in artikel 2.2 en 2.3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel verminderd met:

    • a.

      indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.2.1 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 6 aanbiedingen per belastingjaar;

    • b.

      indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.2.2 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 10 aanbiedingen per belastingjaar;

    • c.

      indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.3.1 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 46 ledigingen per belastingjaar;

  • 3.

    Het aantal aanbiedingen, genoemd in het tweede lid van dit artikel, waarmee de grondslag van de afvalstoffenheffing wordt verminderd, wordt in voorkomende gevallen naar boven afgerond op een heel getal.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De verordening afvalstoffenheffing 2019 van 4 december 2018, met documentnummer 2323940, wordt ingetrokken met ingang van in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande, dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als de "Verordening afvalstoffenheffing 2020".

     

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 3 december 2019.

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

F.G.S. Droste, drs. J.W. Wiggers

TARIEVENTABEL

Tarieventabel behorende bij de verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2020.

 

Zaaknummer: 13714

 

Hoofdstuk 1: Algemeen

De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd zijn:

 

Hoofdstuk 2: Maatstaven en tarieven afvlastoffenheffing

 

2.1

De belasting bedraagt per perceel per jaar

€ 161,00

2.1.1

In afwijking van het bepaalde in onderdeel 2.1, bedraagt de belasting voor percelen waar op grond van artikel 3, derde lid, letter a van de vigerende afvalstoffenverordening Hardenberg groente-, fruit- en tuinafval niet afzonderlijk wordt ingezameld, per perceel per jaar

€ 140,00

2.2

Onverminderd het bepaalde in 2.1 en 2.2.1 bedraagt de belasting per aanbieding van een mini-container of een city-bin (t.b.v. rest-afval) bij een containervolume van:

 

2.2.1

240 liter

€ 10,60

2.2.2

140 liter

€ 6,50

2.2.3

80 liter

€ 3,60

2.2.4

40 liter

€ 2,18

2.3

Onverminderd het bepaalde in 2.1 bedraagt de belasting voor het aanbieden van afval bij een verzamelcontainer tot:

 

2.3.1

Maximaal 40 liter rest-afval

€ 1,55

2.4

Onverminderd het bepaalde in 2.1, 2.2 en 2.3 wordt er geen belasting per aanbieding geheven voor het aanbieden van de mini-container die bestemd is voor G.F.T.-afval en het aanbieden van P.M.D.-afval

 

 

Hoofdstuk 3: Grof huishoudelijk afval

 

3.1

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 bedraagt het gevorderde bedrag voor het op aanvraag inzamelen van grof huishoudelijk afval:

 

3.1.1

tot 1 m3

€ 25,00

3.1.2

voor elke m3 boven de 1 m3

€ 40,00

3.2

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 bedraagt het gevorderde bedrag voor het op aanvraag inzamelen van grof tuinafval:

 

3.2.1

tot 1 m3

€ 15,00

3.2.2

voor elke m3 boven de 1 m3

€ 10,00

 

Gewaarmerkt door de griffier van de gemeente Hardenberg,

als behorend bij het raadsbesluit van 3 december 2019

 

De griffier van de gemeente Hardenberg,

F.G.S. Droste