VERORDENING RECHTSPOSITIE RAADS- EN COMMISSIELEDEN GEMEENTE HARDENBERG 2019

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
06-12-2019



VERORDENING RECHTSPOSITIE RAADS- EN COMMISSIELEDEN GEMEENTE HARDENBERG 2019

De raad van de gemeente Hardenberg;

 

gelezen het voorstel van het presidium d.d. 19 november 2019;

 

gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 99 en 147 van de Gemeentewet, en de artikelen 3.1.3 eerste lid, 3.1.4. eerste lid, 3.1.9. eerste lid, 3.3.2, 3.3.3 tweede lid, 3.3.8 , 3.4.1 eerste lid en 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

 

Besluit:

 

Vast te stellen de volgende

 

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Hardenberg 2019

 

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    commissie: commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83 of 84 van de Gemeentewet;

  • -

    commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 3.1, onderdeel f, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Dit kan ook een schaduwfractielid genoemd worden.

§ 2. Voorzieningen voor raads- en commissieleden

Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

De vergoeding, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, is gelijk aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse vastgestelde maximumbedrag in tabel I bij artikel 3.1.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie (en bijzondere commissie)

  • 1.

    Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend per jaar van maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2.

    Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage toegekend maximaal het genoemde bedrag in artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel 4. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van commissie- of schaduwfractieleden die geen raadslid zijn

  • 1.

    De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een oriënterende ronde bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse naar inwonerstal 50.000 – 100.000 vastgestelde maximum.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een schaduwfractie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.

  • 3.

    Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een schaduwfractie:

    • a.

      als raadslid;

    • b.

      uit hoofde van dan wel rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;

    • c.

      als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de schaduwfractie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.

  • 4.

    De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste 75% van het in het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien van:

    • -

      een lid van een schaduwfractie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de schaduwfractie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken;

    • -

      een lid van een schaduwfractie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de voor hem verrichte arbeid.

Artikel 5. Verhoging vergoeding voor het bijwonen van onderzoekscommissievergaderingen en/of bijzondere commissie i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak

  • 1.

    Aan commissieleden wordt een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies toegekend van ten hoogte 75% van het bedrag in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers gebaseerd op inwonerstal 50.000 – 100.000 vastgestelde maximum.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd.

  • 3.

    De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid bij verordening overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers een hogere vergoeding vaststellen.

Artikel 6. Reis- en verblijfkosten

  • 1.

    Voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 97 Gemeentewet worden aan een raads- of commissie- of schaduwfractielid vergoed:

    • a.

      de kosten voor het gebruik van openbaar vervoer;

    • b.

      bij gebruik van een eigen auto het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt.

  • 2.

    Voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente, ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, worden aan een raadslid of commissielid bij gebruik van eigen auto tevens de parkeer-, veer- en tolkosten vergoed;

  • 3.

    Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed.

  • 4.

    Als een raadslid of commissie- of schaduwfractielid een tijdelijke functionele beperking heeft, kan voor reizen als bedoeld in het eerste lid, een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld.

  • 5.

    De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raadslid of commissielid maakt in verband met reizen buiten het grondgebied ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur worden ten laste van de gemeente vergoed.

Artikel 7. Scholing

  • 1.

    Raads- of schaduwfractieleden die willen deelnemenaan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raads- of schaduwfractiesielid, dienen daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.

  • 2.

    Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.

  • 3.

    De griffier beslist op de aanvraag op basis van bewijsstukken, overeenkomstig het tweede lid.

  • 4.

    In voorkomende gevallen beslissen de fractievoorzitters van alle in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen op basis van meerderheid van stemmen.

Artikel 8. Tablet ten behoeve van uitoefenen raadslidmaatschap

Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap of het schaduwfractielidmaatschap verstrekt het college maximaal eens per raadsperiode een daarvoor geschikte tablet. Het betrokken apparaat wordt van gemeentewege verstrekt.

Artikel 9. Collectieve verzekeringen

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders sluit ten behoeve van de raadsleden één of meer collectieve verzekeringen af, waarbij wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in geldelijke voorzieningen bij invaliditeit en overlijden

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van raadsleden die zijn benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van tijdelijk ontslag van een raadslid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, als bedoeld in artikel X12 van de Kieswet.

Artikel 10. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel (werkkostenregeling)

  • 1.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

§ 3. De procedure van declaratie

Artikel 11. Betaling vaste vergoedingen

De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen.

Artikel 12. Betaling en declaratie van onkosten

  • 1.

    De betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen vindt plaats door:

    • a.

      betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur, of

    • b.

      betaling vooruit uit eigen middelen.

  • 2.

    Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken.

  • 3.

    Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen één maand na factuurdatum of betaling door raads- en commissieleden ingediend bij de griffier.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 13. Intrekking oude regeling

De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en schaduwfractieleden gemeente Hardenberg 2018-2 wordt ingetrokken.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2019.

Artikel 15. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en schaduwfractieleden gemeente Hardenberg 2019.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 3 december 2019.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

F.G.S. Droste drs. J.W. Wiggers

Toelichting Verordening rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers gemeente Hardenberg 2019

ALGEMEEN DEEL

 

Wettelijke regelingen

In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nog nader uitgewerkt.

 

De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of Regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen voor:

  • 1.

    de raadsvergoeding voor raadsleden, en de vergoeding voor commissie- en schaduwfractieleden;

  • 2.

    de vaste maandelijkse netto onkostenvergoedingen voor raadsleden;

  • 3.

    de vergoeding voor dienstreizen binnen de gemeentegrenzen;

  • 4.

    de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61 van de Gemeentewet, leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa van de Gemeentewet, dan wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid, van de Gemeentewet;

  • 5.

    de toelage van het fractievoorzitterschap;

  • 6.

    de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA / WAO) hebben;

  • 7.

    de gevolgen van de vergoeding / bezoldiging bij overgang naar een lagere klasse in verband met vermindering van aantal inwoners;

  • 8.

    de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval;

  • 9.

    de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de gemeenteraad;

  • 10.

    de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte;

  • 11.

    de tegemoetkoming in de ziektekosten;

  • 12.

    de voorzieningen voor raadsleden met een fysieke beperking;

  • 13.

    de bezoldiging van de wethouders;

  • 14.

    de voorzieningen in verband met bewaken en beveiligen;

  • 15.

    de contributie voor beroepsverenigingen.

     

Hoofdlijnen gemeentelijke verordening

In de verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.

Bij de laatste harmoniseringsoperatie, zie de circulaire van het Ministerie van BZK d.d. 28 november 2018, betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in een besluit en een regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject, waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd.

Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog adequaat waren met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager.

In artikel 99 van de Gemeentewet is bepaald dat bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van de raad, van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Het tweede lid van dat artikel voegt daaraan toe dat bij of krachtens de wet dan wel bij verordening van de raad aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.

 

De arbeidsverhoudingen

Raadsleden en commissie- of schaduwfractieleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor het fictief werknemerschap. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissie- of schaduwfractieleden.

 

De loon- en inkomstenbelasting

Opting-in-regeling

Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing van de raadsvergoeding af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de socialezekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissie- of schaduwfractieleden de toepassing van de opting-in-regeling.

 

Fiscale standaardpositie

Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raads- of commissie- of schaduwfractielid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet (standaardregeling). In dat geval is het (gedeeltelijke) winstregime van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling dienen de nettoonkostenvergoeding wel te verantwoorden in de inkomstenbelasting, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). Het bruteren van vergoedingen is niet langer van toepassing op raads- en commissieleden die hebben gekozen voor de standaardregeling. Voor raadsleden die hebben gekozen voor de standaardregeling is de werkkostenregeling immers niet van toepassing. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB-47. Omdat raads- en commissie- of schaduwfractieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.

 

Eenmalige keuze per zittingsperiode

De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid financieel ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.

 

De vergoedingensystematiek

Voor de uitoefening van het politieke ambt hoeven bestuurders niet het eigen inkomen aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze functionele uitgaven uit eigen middelen vooruitbetaalt en de gemeente deze uitgaven vervolgens terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de functionele uitgaven direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. De mogelijkheden voor declaratie worden nader geregeld in de verordening.

 

Controle en verantwoording

Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde belasting.

Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. In paragraaf 3 van deze verordening is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten. Daarnaast moeten in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer-, rand- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel van deze verordening wordt verwezen naar een aantal begripsbepalingen uit de Rechtspositiebesluiten. Speciale aandacht verdient een lid van de commissie, die niet tevens lid is van de gemeenteraad of een ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd overeenkomstig artikel 3.1, onderdeel f, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Wat betreft de genoemde ambtenaren in deze bepaling lijkt de wetgever te doelen op de situatie dat ambtenaren van de griffie of gemeente raadscommissies organiseren, bijwonen en/of ondersteunen. Zij maken geen aanspraak op een vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden maken voor hen immers deel uit van hun ‘gewone’ werkzaamheden uit hoofde van hun aanstelling op grond van de Ambtenarenwet, waarvoor zij reeds loon ontvangen.

In de gemeente Hardenberg wordt in sommige situaties met commissieleden ook wel schaduwfractieleden bedoeld.

 

Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

De hoogte van de raadsvergoeding is imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (zie artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers). Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer cao-lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig.

Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 3.1.11 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

De gemeente Hardenberg heeft schaduwfractieleden in plaats van plaatsvervangend commissieleden.

 

Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie (en bijzondere commissie)

Deze artikelen betreffen de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en anderzijds de onderzoekscommissie. Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie geldt een vast (belast) bedrag van op basis van artikel 3.1.1 of 3.1.4. Het onderscheid tussen deze zit in de zwaarte van de commissie. Bij een onderzoekscommissie is een hoger bedrag gerechtvaardigd dan bij een bijzondere commissie.

Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.

 

Artikel 4. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

De vergoeding voor het schaduwfractielid dat geen raadslid is, is gelijk aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse vastgestelde maximumbedrag zoals bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

 

Artikel 5. Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak

In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies die zijn ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de commissie (uitgezonderd in artikel 96 Gemeentewet). Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en medewerkers en bestuurders van door de gesubsidieerde organisaties die in die hoedanigheid in de commissie zitting hebben. De hoogte van het presentiegeld wordt bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indexeert per 1 januari het bedrag zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer cao-lonen Overheid.

Het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Gemeentewet bieden de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid is geregeld in het derde lid.

 

Artikel 6. Reis- en verblijfkosten

Ingevolge artikel 96, in samenhang met artikel 97, van de Gemeentewet kunnen kosten voor (dienst)reizen buiten het grondgebied van de gemeente alleen op basis van een verordening van de gemeenteraad worden vergoed. In deze bepaling is bij verordening geregeld dat raads- en commissieleden een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente kunnen krijgen ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur. Onder reizen “buiten de gemeentegrenzen” kunnen ook de buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de gemeente zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid per gemeente. Omdat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers verder geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders.

Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.

 

Artikel 7. Scholing

Voor raads- en commissie- of schaduwfractieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor nietpartijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.

Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente.

Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid kan de raad nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. Het beoordelen van en/of fiatteren van scholingsaanvragen is gemandateerd aan de griffier.

Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 8. Tablet

In het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is geregeld dat het raads- of schaduwfractielid van de gemeente een computer / tablet / iPad in bruikleen krijgt verstrekt.

De verordening gaat ervan uit dat een computer / tablet / iPad (en randapparatuur) in bruikleen wordt verstrekt.

Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 9. Collectieve verzekeringen

Op initiatief van de gemeenteraad heeft het college van burgemeester en wethouders de taak één of meer collectieve verzekeringen af te sluiten voor haar raadsleden ten behoeve van de pensioenopbouw, invaliditeits- en/of overlijdensrisico. Artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers biedt deze wettelijke mogelijkheid. De reden hiervoor is dat raadsleden gedurende het raadslidmaatschap over de raadsvergoeding geen ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen opbouwen. Het raadslid is ook niet verzekerd voor sociale verzekeringswetten en heeft daarom geen recht op een invaliditeitsuitkering. Indien de raad deze voorzieningen wenst te regelen voor haar raadsleden dan moet dit vastgelegd worden in een verordening.

Voor de gemeente Hardenberg zijn twee verzekeringen afgesloten voor raadsleden, te weten:

  • -

    Politiek Molest

  • -

    College beschermingspolis

 

Politiek Molest:

Ongevallenverzekering. Alleen voor een ongeval van een verzekerde veroorzaakt door personen die reageren op werkzaamheden of functie van een medewerker.

Verzekerde bedragen:

Bij overlijden (rubriek 2) : jaarsalaris: 1x

Bij blijvend letsel (rubriek 3 en 4) : jaarsalaris: 2x

Geneeskundige kosten (rubriek 5) : € 5.000,00

Psychische hulpverlening (rubriek 5) : € 2.500,00

Zaakschade (rubriek 6) : € 30.000,00

 

Collegebeschermingspolis:

De polis biedt aanspraak op rechtsbijstand voor raadsleden voor een gebeurtenis die plaatsvindt gedurende de looptijd van de verzekering en gedurende de functie-uitoefening voor de gemeente Hardenberg.

Juridisch advies en/of rechtsbijstand wordt verleend, indien verzekerde wordt geconfronteerd met:

  • strafrechtelijke vervolging wegens het plegen van een strafbaar feit tijdens de functie-uitoefening;

  • civielrechtelijke aanspraken van derden voor schade veroorzaakt in verband met de functieuitoefening;

 

Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en kunnen daardoor vaak in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikel 3.1.9 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is daarom de grondslag gecreëerd om bij verordening te bepalen dat de raadsleden een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

 

De collectieve verzekering

Sommige gemeenteraden willen deze voorziening treffen voor de raadsleden vanaf de start van de raadsperiode per maart 2018. Terugwerkende kracht is niet mogelijk. De bepaling geldt vanaf 1 januari 2019. Maar, zoals gezegd, kan de raad bij verordening bepalen dat raadsleden eenmaal per jaar een bedrag ontvangen. De raad kan dus binnen een jaar na het aantreden van de nieuwe raad kiezen voor een grondslag in de verordening. Om in dit kader aan raadsleden een bedrag toe te kennen voor hun eerste jaar als raadslid, zou die grondslag dus moeten zijn opgenomen in de verordening tussen 1 januari 2019 en 28 maart 2019. Een dergelijke keuze is gezien het ritme van de zittingstermijn van gemeenteraden ook alleszins verdedigbaar. Aldus worden gebroken jaren in de uitbetalingssystematiek zoveel mogelijk vermeden.

Op basis van artikel 5.1, zevende lid, van het besluit geldt overgangsrecht. Voor zover voor raadsleden al op grond van het (oude) Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden collectieve verzekeringen zijn afgesloten voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden, kunnen die gehandhaafd blijven. De betrokken raadsleden ontvangen in dat geval uiteraard geen bedrag om zelf een dergelijke verzekering en/of voorziening te treffen. In Hardenberg is zo’n collectieve verzekering nog van kracht.

 

Artikel 10. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel (werkkostenregeling)

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31a Wet Loonbelasting 1964 zijn een aantal netto-vergoedingen en verstrekkingen in de rechtspositiebesluiten en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of verstrekkingen of vergoedingen onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil waarderingen vallen. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte- tot 1,2% fiscale loonsom- onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeenten 80% eindheffing moeten betalen.

 

Artikel 11. Betaling en declaratie van onkosten

In de verordening zijn de wijzen van betaling aangegeven. Ook is aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreekse facturering bij de gemeente, en daarna declaratie van vooruitbetaalde kosten.