SUBSIDIEREGELING PEUTEROPVANG EN VOORSCHOOLSE EDUCATIE GEMEENTE HARDENBERG 2019

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
04-06-2019



SUBSIDIEREGELING PEUTEROPVANG EN VOORSCHOOLSE EDUCATIE GEMEENTE HARDENBERG 2019

Burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg;

 

gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018;

 

Besluit:

 

vast te stellen de “subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Hardenberg 2019”:

 

HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

 

1.

Kinderopvang

Aanbod voor kinderen van 2 tot 4 jaar vanuit een landelijk geregistreerd kindercentrum in de zin van Wet kinderopvang.

2.

Peuteropvang

Een ontwikkelingsgericht aanbod voor kinderopvang waarmee op basis van een gericht programma de ontwikkeling van het kind gestimuleerd wordt, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

3.

Voorschoolse educatie (VE)

Een aanbod peuteropvang gericht op kinderen van 2 tot 4 jaar oud als bedoeld in artikel 166, eerste en tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en dat voldoet aan de kwaliteitseisen van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie vastgesteld op 7 juli 2010, en zoals nadien gewijzigd.

4.

Peuterplaats peuteropvang

Een aanbod peuteropvang gedurende 320 uur per jaar te verdelen over maximaal 48 weken per jaar gedurende minimaal 2 dagdelen per week op ten minste twee verschillende dagen per week.

5.

Peuterplaats VE

Een aanbod peuteropvang gericht op doelgroep peuters VE van, voor peuters vanaf 2 jaar tot 2,5 jaar 160 uur per half jaar en vanaf 2,5 tot 4 jaar 640 uur per jaar, gedurende maximaal 48 weken per jaar, voor kinderen van 2 jaar te verdelen over minimaal 2 dagen per week en voor kinderen vanaf 2,5 tot 4 jaar te verdelen over minimaal 3 dagen per week met een maximum van 6 uur per dag.

6.

Doelgroep peuters VE

Peuters van 2 tot 4 jaar die in aanmerking komen voor een aanbod voorschoolse educatie op grond van door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde criteria.

7.

Voorziening

Het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie zoals een instelling dat op een specifieke locatie aanbiedt.

8.

Kalenderjaar

Het jaar waar de subsidie betrekking op heeft.

9.

Aanvrager

Een instelling die peuterplaatsen peuteropvang en/of voorschoolse educatie (VE) aanbiedt en die subsidie aanvraagt voor het kalenderjaar.

10.

Instelling

De houder van een in het landelijke register kinderopvang geregistreerd kindercentrum waar peuteropvang en/of voorschoolse educatie wordt aangeboden.

11.

Forfaitaire bijdrage

Een bijdrage ter hoogte van een door het college van burgemeester en wethouders vooraf vastgesteld bedrag.

12.

Uurprijs

De prijs die volgens de subsidieaanvraag van de aanvrager in rekening wordt gebracht voor een uur peuteropvang en een uur voorschoolse educatie in de peuteropvang.

HOOFDSTUK II de subsidieverlening

Artikel 2 Subsidieabele activiteiten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan een aanvrager voor een of meer plaatsen peuteropvang.

  • 2.

    Voor een peuterplaats peuteropvang wordt uitsluitend subsidie verleend voor peuters van ouders die aantoonbaar geen recht op kinderopvangtoeslag op grond van afdeling 2 van de Wet kinderopvang (kinderopvangtoeslag) hebben.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan een aanvrager voor een of meer plaatsen voorschoolse educatie (VE).

  • 4.

    Voor een peuterplaats voorschoolse educatie wordt uitsluiten subsidie verleend voor doelgroep peuters VE die bij aanvang van de voorschoolse educatie beschikken over een indicatie van de jeugdarts van de Jeugdgezondheidszorg van de GGD.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders kunnen aan instellingen die binnen de gemeente een geregistreerde voorziening voor kinderopvang hebben een incidentele subsidie verlenen.

Artikel 3 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

  • 1.

    Elke voorziening waarvoor subsidie peuteropvang wordt aangevraagd is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang in de zin van Wet kinderopvang.

  • 2.

    De aanvrager van een subsidie voor peuterplaatsen peuteropvang:

    • a.

      beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in artikel 3 van het Besluit kwaliteit kinderopvang, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze:

      • i.

        de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten,

      • ii.

        de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,

      • iii.

        de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd,

      • iv.

        de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen,

      • v.

        het inrichten van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en het beschikbaar stellen van passend materiaal voor voorschoolse educatie, en

      • vi.

        de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

    • b.

      de houder geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de onderwerpen van het eerste lid betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.

    • c.

      voor de peuteropvang wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

  • 3.

    De aanvrager van een subsidie peuterplaatsen voorschoolse educatie voldoet aan de kwaliteitseisen van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie vastgesteld op 7 juli 2010, en zoals nadien gewijzigd.

  • 4.

    De instelling die een subsidie peuterplaatsen peuteropvang ontvangt stelt voorafgaande aan de plaatsing van de peuter vast of de ouders geen recht op kinderopvangtoeslag hebben en daarmee recht op een peuterplaats peuteropvang.

  • 5.

    Voor het vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag en het gebruik van een gesubsidieerde peuterplaats peuteropvang zijn ouders verplicht de door burgemeester en wethouders vastgestelde model-verklaring in te vullen en de daarbij benodigde bewijstukken aan te leveren.

  • 6.

    De instelling die een subsidie peuterplaatsen peuteropvang of voorschoolse educatie in de peuteropvang ontvangt factureert en int de ouderbijdrage zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en is verantwoordelijk voor het daadwerkelijk ontvangen van deze bijdrage.

  • 7.

    De instelling die een subsidie peuterplaatsen peuteropvang of voorschoolse educatie in de peuteropvang ontvangt sluit met de ouders een overeenkomst voor de peuterplaats waarin rechten en plichten zijn vastgelegd.

  • 8.

    Peuters van 2,5 jaar en ouder die gebruik maken van een peuterplaats VE zijn verplicht het totale aanbod van 640 uur op jaarbasis te volgen, bij geen volledige deelname is er geen recht op een lagere ouderbijdrage voor een VE plaats.

  • 9.

    De instelling is verplicht de ouders te stimuleren daadwerkelijk gebruik te maken van de gesubsidieerde plaats peuteropvang en een peuterplaatse VE en bij structureel geen gebruik maken van de plaats de plaatsing te beëindigen. Dit laat onverlet dat de ouders verplicht zijn de eigen bijdrage over de periode dat zij een overeenkomst met de instellingen hebben te betalen. Deze gefactureerde of te factureren ouderbijdrage wordt ten allen tijd in mindering gebracht op de vast te stellen subsidie voor de peuterplaats.

Artikel 4 Reikwijdte van de subsidieregeling

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan:

    • a.

      Instellingen die peuteropvang en/of voorschoolse educatie aanbieden in een voorziening gevestigd in de gemeente Hardenberg.

    • b.

      Instellingen gevestigd buiten de gemeente Hardenberg die het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie leveren in een voorziening buiten de gemeente Hardenberg, die aantoonbaar voor minimaal 35% van het aantal totale aantal peuters in geval van peuteropvang of doelgroep peuters in geval van voorschoolse educatie deze diensten levert aan peuters afkomstig uit de gemeente Hardenberg, zij kunnen voor het deel van het aanbod dat geleverd wordt aan peuters afkomstig uit de gemeente Hardenberg eveneens voor een subsidie in aanmerking komen.

    • c.

      Instellingen voor wie artikel 4 lid 1.b van toepassing is komen slechts voor subsidie in aanmerking wanneer zij op 1 januari voorafgaand aan het kalenderjaar, aantoonbaar subsidie ontvangen van de gemeente waar zij gevestigd zijn.

    • d.

      Een instelling gevestigd in de gemeente Hardenberg die het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie levert in een voorziening in de gemeente Hardenberg, die voor minimaal 35% van het aantal totale aantal peuters in geval van peuteropvang of doelgroep peuters in geval van voorschoolse educatie deze diensten levert aan peuters van buiten de gemeente Hardenberg wordt voor het deel van het aanbod dat geleverd wordt aan peuters van buiten de gemeente Hardenberg naar rato gekort op de te verlenen en vast te stellen subsidie. De peildatum is 1 januari voorafgaand aan het kalenderjaar.

Artikel 5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd artikel 9 van de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 kan de aanvraag worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen in artikel 3 en 4 van deze subsidieregeling.

  • 2.

    Aan een instelling die op 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar geen voorziening in de gemeente Hardenberg geregistreerd heeft wordt subsidie geweigerd tenzij het een instelling betreft zoals bedoeld in art. 4 lid 1.b.

Artikel 6 Grondslag voor de subsidieberekening

  • 1.

    De grondslag voor de subsidie peuterplaatsen is het aantal te realiseren bezette peuterplaatsen peuteropvang en/of peuterplaatsen voorschoolse educatie (VE).

  • 2.

    Voor een peuterplaats peuteropvang geldt een subsidiabel aantal uren van 320 op jaarbasis, voor zover de ouders aantoonbaar geen recht hebben op een toelage op grond van afdeling 2 van de Wet kinderopvang (kinderopvangtoeslag).

  • 3.

    Voor een peuterplaats voorschoolse educatie in de peuteropvang geldt een totaal subsidiabel aantal uren van 640 op jaarbasis (inclusief de 320 uur basisaanbod peuteropvang op grond van lid 2).

  • 4.

    Voor een peuterplaats voorschoolse educatie voor kinderen van 2 tot 2,5 jaar geldt een subsidiabel aantal uren van 160 voor een periode van 6 maanden.

  • 5.

    Voor een peuterplaats voorschoolse educatie wordt een jaarlijks door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen forfaitaire bijdrage voor de extra bijkomende werkzaamheden voor elke geplaatste doelgroeppeuter VE verleend.

  • 6.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks de maximale uurprijs vast waarover subsidie wordt verleend en een forfaitaire bijdrage voor de extra bijkomende werkzaamheden per geplaatste doelgroeppeuter VE.

  • 7.

    De uurprijs voor te verlenen subsidie peuteropvang en VE zijn gelijk.

  • 8.

    De te verlenen en vast te stellen subsidie per uur is nooit hoger dan de door de instellingen bij de aanvraag voor het kalenderjaar opgegeven en voor overige klanten gehanteerde uurprijs.

  • 9.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks voorafgaande aan het kalenderjaar de inkomensafhankelijke procentuele ouderbijdrage vast voor gebruik van peuterplaatsen peuteropvang. Deze is gebaseerd op de voor het kalenderjaar geldende landelijke tabel van de kinderopvangtoeslag.

  • 10.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar de ouderbijdrage vast voor de ouders van doelgroeppeuters VE met voorschoolse educatie in de peuteropvang.

  • 11.

    Op de te verlenen en vast te stellen subsidie per peuterplaats peuteropvang en voorschoolse educatie wordt een bedrag voor ouderbijdragen in mindering gebracht. Dit bedrag is gebaseerd op de door het college vastgestelde ouderbijdrage voor het kalenderjaar.

  • 12.

    Aanbieders van peuteropvang en voorschoolse educatie ontvangen de ouderbijdragen vastgesteld op grond van lid 9 en 10 van dit artikel. Zij zijn verantwoordelijk voor het innen van deze betalingen conform de vastgestelde ouderbijdragetabel en het bijbehorende risico van dubieuze debiteuren.

  • 13.

    De te verlenen subsidie per peuterplaats peuteropvang wordt bepaald op de hoogte van het door de instelling bij aanvraag opgegeven uurtarief tot een maximum van het onder lid 5 door het college vastgestelde uurtarief vermenigvuldigd met het aantal uren per peuterplaats zoals bepaald in artikel 6 lid 2 verminderd met de ouderbijdrage conform lid 9 van dit artikel.

  • 14.

    De te verlenen subsidie per peuterplaats VE in de peuteropvang wordt bepaald op de hoogte van het door de instelling bij aanvraag opgegeven uurtarief tot een maximum van het onder lid 5 door het college vastgestelde uurtarief vermenigvuldigd met het aantal uren per peuterplaats zoals bepaald in art 6 lid 3 verhoogd met de in art. 6 lid 5 genoemde forfaitaire bijdrage voor extra bijkomende werkzaamheden voorschoolse educatie, verminderd met de ouderbijdrage conform lid 10 van dit artikel.

Artikel 7 De subsidieaanvraag

  • 1.

    Instellingen die voor een subsidie peuteropvang en/of voorschoolse educatie in het kalenderjaar in aanmerking wensen te komen voor een subsidie op grond van artikel 6 lid 14 (subsidie peuterplaats peuteropvang) en lid 15 (subsidie peuterplaats VE in de peuteropvang) moeten jaarlijks voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar een subsidieaanvraag indienen.

  • 2.

    De aanvraag als bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn voorzien van:

    • a.

      een gespecificeerde opgave per voorziening (locatie) van:

      • i.

        registratienummer landelijk register, locatienaam, adres en contactgegevens;

      • ii.

        het aantal kinderen voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen peuteropvang wordt aangevraagd, waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 6 lid 2;

      • iii.

        het aantal doelgroeppeuters voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen voorschoolse educatie in de peuteropvang wordt aangevraagd (conform artikel 6 lid 15);

      • iv.

        het meest recent vastgestelde pedagogisch beleidsplan.

    • b.

      een opgave van het voor het kalenderjaar geldende uurtarief;

    • c.

      een opgave van de (verwachte) eigen bijdrage per peuterplaats peuteropvang en voorschoolse educatie met in achtneming van de door het college van burgemeester en wethouders voor het kalenderjaar op grond van artikel 6 lid 9 en 10 vastgestelde maxima;

    • d.

      een verklaring dat wordt voldaan aan de bepalingen en verplichtingen van deze subsidieregeling.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders nemen voor 1 januari van het kalenderjaar een besluit over de subsidieverlening.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen voor het indienen van aanvragen peuteropvang en/of voorschoolse educatie model aanvraagformulieren vaststellen.

Artikel 8 Het subsidieplafond

  • 1.

    Burgemeester en wethouders bepalen jaarlijks met inachtneming van de in de (concept)gemeentebegroting vastgestelde budgetten voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar welk bedrag als subsidieplafond beschikbaar is voor peuterplaatsen peuteropvang en welk bedrag voor peuterplaatsen voorschoolse educatie. Voor zover de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld door de gemeenteraad geldt voor de hoogte van deze budgetten het zogenaamde begrotingsvoorbehoud conform artikel 4.34 van de Algemene Wet Bestuursrecht. 

  • 2.

    Burgemeester en wethouders verdelen de subsidie voor peuterplaatsen peuteropvang en voorschoolse educatie als volgt:

    • a.

      voor peuteropvang:

      • i.

        per instelling wordt conform de berekening van artikel 6 de kosten van het aangevraagde aantal peuterplaatsen peuteropvang berekend;

      • ii.

        wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle instellingen het subsidieplafond voor peuteropvang voor het kalenderjaar niet overschrijdt wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele peuterplaatsen peuteropvang voor het kalenderjaar per instelling vastgesteld;

      • iii.

        indien het totaal van de aangevraagde subsidie het door burgemeester en wethouders vastgestelde subsidieplafond overschrijdt vindt een herverdeling van de te verlenen subsidie peuteropvang plaats, deze herverdeling wordt in eerste instantie gebaseerd op de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar in de aanvraag opgegeven bezette plaatsen, met dien verstande dat elke aanvrager minimaal 2 plaatsen toegekend krijgt, en als er daarna nog budget resteert wordt dit verdeeld op basis van de geregistreerde kindplaatsen kinderdagverblijf zoals per instelling geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang op 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar.

    • b.

      voor voorschoolse educatie;

      • i.

        per instelling wordt conform de berekening van artikel 6 de kosten van het aangevraagde aantal peuterplaatsen peuteropvang voorschoolse educatie berekend;

      • ii.

        wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle instellingen het totale subsidieplafond voor voorschoolse educatie voor het kalenderjaar niet overschrijdt wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele peuterplaatsen voorschoolse educatie voor doelgroep peuters voorschoolse educatie voor het kalenderjaar per voorziening vastgesteld;

      • iii.

        indien het totaal van de aangevraagde subsidie het door burgemeester en wethouders vastgestelde subsidieplafond overschrijdt vindt een herverdeling van de te verlenen subsidie voorschoolse educatie plaats, deze herverdeling wordt in eerste instantie gebaseerd op de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar in de aanvraag opgegeven bezette plaatsen, met dien verstande dat elke aanvrager minimaal 2 plaatsen toegekend krijgt, en als er daarna nog budget resteert wordt dit verdeeld op basis van de geregistreerde kindplaatsen kinderdagverblijf zoals per instelling geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang op 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar.

Artikel 9 De subsidieverlening

  • 1.

    Een subsidie wordt aan een instelling verleend op basis van het aantal peuterplaatsen zoals omschreven in artikel 1 lid 5 en 6 waarvoor op grond van artikel 6 subsidie wordt verleend en dat in het kalenderjaar zal worden geëxploiteerd.

  • 2.

    Bij de subsidieverlening kunnen door burgemeester en wethouders nadere verplichtingen worden opgelegd.

  • 3.

    Bij de subsidieverlening wordt bepaald of en op welke wijze een voorschot kan worden vertrekt op de verleende subsidie waarbij het aantal termijnen, de termijnbedragen en de data waarop deze worden uitbetaald worden vermeld.

  • 4.

    Bij de subsidieverlening wordt vermeld op welke wijze de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 10 Rapportageverplichtingen

  • 1.

    De subsidieaanvrager legt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie verantwoording af waarbij wordt overgelegd:

    • a.

      een overzicht van alle peuters die in het kalenderjaar hebben deelgenomen aan een door de gemeente gesubsidieerd aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie met opgave van de periode die zij gedurende het kalenderjaar hebben deelgenomen en daarmee het aantal gerealiseerde plaatsen peuteropvang en/of voorschoolse educatie en bewijsstukken dat zij tot de doelgroep behoren waarbij:

      • i.

        voor peuteropvang per gesubsidieerde peuterplaats start- en einddatum in het kalenderjaar worden vermeld en kopieën van bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat rechtmatig aanspraak wordt gemaakt op peuteropvang (ouderverklaring geen recht op toeslag + inkomensverklaring van de belastingdienst + eventuele aanvullende bewijsstukken);

      • ii.

        voor voorschoolse educatie start- en einddatum in het kalenderjaar en zover daarom ambtshalve verzocht wordt per gesubsidieerde peuterplaats kopieën van bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat rechtmatig gebruik gemaakt wordt van voorschoolse educatie (indicatie van de Jeugd gezondheidszorg);

      • iii.

        per gesubsidieerde peuterplaats een opgave van de werkelijk gefactureerde ouderbijdragen in het kalenderjaar wordt overgelegd;

    • b.

      het totaal aantal daadwerkelijk bezette peuterplaatsen peuteropvang en voorschoolse educatie gedurende het kalenderjaar afgeleid van de gegevens onder lid a,

    • c.

      de in het kalenderjaar gefactureerde ouderbijdragen en de gehanteerde uurprijs voor peuterplaatsen peuteropvang en voorschoolse educatie per peuterplaats afgeleid van lid a;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen in lid 1 tot en met 9 van artikel 3.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan formulieren vaststellen voor het indienen van de verantwoordingsgegevens.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen nadere gegevens opvragen om de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie conform de opgelegde verplichtingen te controleren.

HOOFDSTUK III de subsidievaststelling

Artikel 11 De subsidievaststelling

  • 1.

    Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie voorschoolse educatie in de peuteropvang moet worden ingediend voor 1 februari volgend op het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor peuteropvang moet worden ingediend voor 1 mei volgend op het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders stellen op basis van de ingediende verzoek de subsidie vast op basis van het gedurende het kalenderjaar daadwerkelijk bezette aantal peuterplaatsen peuteropvang en/of voorschoolse educatie

  • 4.

    Het aantal peuterplaatsen waarvoor de subsidie wordt vastgesteld bedraagt nooit meer dan het aantal plaatsen waarvoor op grond van artikel 9 subsidie is verleend.

  • 5.

    Voor de subsidiabele uren geldt het aantal conform artikel 6 lid 2 en 3.

  • 6.

    Indien een peuterplaats slechts gedurende een deel van het kalenderjaar is bezet wordt de vast te stellen subsidie verminderd naar rato van het aantal dagen dat de peuterplaats niet bezet is.

  • 7.

    Op de vast te stellen subsidie per peuterplaats wordt de te factureren ouderbijdrage over de deelnameperiode conform de door burgemeester en wethouders vastgestelde ouderbijdragen in mindering gebracht.

  • 8.

    Niet of niet geheel voldoen aan de subsidie verbonden verplichtingen zoals die blijken uit:

    • a.

      de verantwoordingsgegevens op grond van artikel 10 of

    • b.

      nader opgevraagde gegevens op grond van artikel 10 of

    • c.

      rapportages van inspecties van de toezichthouder GGD IJsselland of de Inspectie voor het Onderwijs

    of het niet tijdig indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie op grond van lid 1 of 2 van dit artikel, kan leiden tot een lagere vaststelling van de subsidie.

  • 9.

    Bij een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000,-- gelden de verplichtingen van artikel 16, lid 2, onder c en d, van de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 niet, tenzij burgemeester en wethouders bij de subsidieverlening hebben bepaald, dat deze verplichtingen wel gelden.

HOOFDSTUK IV slot- en overgangsbepalingen

Artikel 12 Citeerartikel

Deze subsidieregeling kan worden aangehaald als “subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Hardenberg 2019”.

Artikel 13 Hardheidsclausule

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen deze subsidieregeling, met uitzondering van artikel 2 in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

  • 2.

    Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 juli 2019.

Artikel 15 Overgangsbepaling

  • 1.

    Subsidieaanvragen ingediend voor 1 juli 2019 worden behandeld op grond van de Deelsubsidieverordening peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Hardenberg.

  • 2.

    Tot 31 december 2019 kan voor VE plaatsen in de kinderdagopvang subsidie worden verleend voor de forfaitaire bijdrage op grond van art. lid 6 van deze regeling.

 

Hardenberg, 28 mei 2019

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hardenberg,

loco-secretaris, burgemeester,

E.C.B. Hoitink P.H. Snijders

 

ALGEMENE TOELICHTING

 

De gemeente ontvangt van de rijksoverheid vanaf 2016 gelden voor een aanbod voor alle peuters die nog geen voorschoolse voorziening bezoeken. VNG en het ministerie van SZW hebben hierover afspraken gemaakt in een bestuursovereenkomst [1] “Een aanbod voor alle peuters”.

Gemeente Hardenberg voert hierop beleid in de vorm van het stimuleren van het gebruik van een ontwikkelingsgericht aanbod voor alle peuters vanaf 2 jaar. Voor peuters van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag en voor wie het voorschoolse aanbod daardoor relatief duur is verstrekt de gemeente een subsidie aan instellingen om dit aanbod ook voor hen financieel toegankelijker te maken.

 

Dit ontwikkelingsgerichte aanbod voor alle peuters is ook de basis voor het aanbod van voorschoolse aanbod voor doelgroep peuters waarvoor de gemeente op grond van de Wet op het Primair Onderwijs met het oog op het bestrijden van onderwijsachterstanden verantwoordelijk is.

 

Deze subsidieregeling voorziet in de mogelijkheid subsidies te verstrekken voor het ontwikkelingsgerichte aanbod voor peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag maar ook voor doelgroep peuters voorschoolse educatie.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepaling

Lid 5 “peuterplaats peuteropvang” definieert dit als: “Een aanbod peuteropvang gedurende 320 uur per jaar te verdelen over maximaal 48 weken per jaar gedurende minimaal 2 dagdelen per week op ten minste twee verschillende dagen per week”

 

De 320 uur sluit aan bij de wettelijke eis voor voorschoolse educatie van 960 uur in 1,5 jaar ofwel 640 uur per jaar. Het aanbod voorschoolse educatie in de peuteropvang voor doelgroep peuters VE is dubbel zo intensief als het reguliere aanbod peuteropvang. Dat houdt in dat het reguliere gesubsidieerde aanbod peuteropvang voor 2 tot 4-jarigen wordt bepaald op 320 uur op jaarbasis.

320 Uur is gebaseerd op het rekenmodel van 40 weken x 2 dagdelen x 4 uur per dagdeel.

Instellingen zijn vrij deze 320 uur over meer van 40 weken te spreiden tot een maximum van 48 weken omdat er altijd vanwege vakantie weken uit zullen vallen.

Om inhoudelijke redenen en redenen van effectiviteit van het aanbod is bepaald dat dit aanbod op minimaal twee verschillende dagdelen en 2 verschillende dagen per week moeten worden aangeboden.

 

Lid 5 “peuterplaats VE” definieert dit als: “Een aanbod peuteropvang gericht op doelgroep peuters VE van, voor peuters vanaf 2 jaar tot 2,5 jaar 160 uur per half jaar en vanaf 2,5 tot 4 jaar 640 uur per jaar, gedurende maximaal 48 weken per jaar, voor kinderen van 2 jaar te verdelen over minimaal 2 dagen per week en voor kinderen vanaf 2,5 tot 4 jaar te verdelen over minimaal 3 dagen per week met een maximum van 6 uur per dag”

 

De 640 uur per jaar voor 2,5 tot 4 jarigen sluit aan bij de wettelijke eis voor voorschoolse educatie van 960 uur in 1,5 jaar ofwel 640 uur per jaar.

640 Uur is gebaseerd op het rekenmodel van 40 weken x 4 dagdelen x 4 uur per dagdeel.

Instellingen zijn vrij deze 640 uur over meer van 40 weken te spreiden tot een maximum van 48 weken omdat er altijd vanwege vakantie weken uit zullen vallen.

Om inhoudelijke redenen en redenen van effectiviteit van het aanbod is bepaald dat dit aanbod op tenminste 3 verschillende dagen per week moeten worden aangeboden.

 

Voor doelgroep peuters VE van 2 tot 2,5 jaar geldt voor dat halve jaar een aanbod van 160 uur.

160 Uur is gebaseerd op het rekenmodel van 20 weken x 2 dagdelen x 4 uur per dagdeel.

Instellingen zijn vrij deze 160 uur over meer van 20 weken te spreiden tot een maximum van 24 weken omdat er altijd vanwege vakantie weken uit zullen vallen.

Om inhoudelijke redenen en redenen van effectiviteit van het aanbod is bepaald dat dit aanbod op minimaal twee verschillende dagdelen en 2 verschillende dagen per week moeten worden aangeboden.

 

HOOFDSTUK II de subsidieverlening

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

Dit artikel bepaalt voor welke activiteiten jaarlijks subsidie kan worden verleend op grond van deze regeling.

Kort samengevat zijn dat:

  • -

    peuterplaatsen peuteropvang

  • -

    peuterplaatsen voorschoolse educatie

 

 

Ook biedt dit artikel de basis voor het verstrekken van incidentele subsidies.

Lid 5 betreft de mogelijkheid van incidentele subsidies gericht op bijvoorbeeld versterking van de kwaliteit van peuteropvang en/of voorschoolse educatie.

 

 

Incidentele subsidies kunnen zowel rechtstreeks op grond van deze regeling worden verleend maar het is ook mogelijk een afzonderlijke regeling in het leven te roepen voor specifieke doelen zoals bijvoorbeeld kwaliteit bevorderende maatregelen.

 

 

Artikel 3 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

In lid 2 worden verplichtingen genoemd waar een instelling aan moet voldoen die subsidie aanvraagt voor peuterplaatsen peuteropvang.

Deze eisen zijn ook opgenomen in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie vastgesteld op 7 juli 2010, en zoals nadien gewijzigd. Gemeente Hardenberg kiest er voor deze voorwaarden ook van toepassing te verklaren op peuteropvang voor niet-doelgroep peuters VE.

 

 

In lid 4 wordt geregeld dat de instelling die een subsidie peuteropvang ontvangt moet bepalen of de ouders van de peuter geen of onvoldoende recht op kinderopvangtoeslag hebben. Dit vloeit voort uit art. 2 lid 2 waar bepaald is dat uitsluitend subsidie verleend voor peuters van ouders die aantoonbaar geen recht op kinderopvangtoeslag op grond van afdeling 2 van de Wet kinderopvang (kinderopvangtoeslag) hebben.

 

 

Om het recht op subsidie voor een peuterplaats peuteropvang bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie te kunnen onderbouwen:

  • -

    moet er een verklaring “geen recht op toeslag” te zijn

  • -

    dient bij 1 inkomen bij deze verklaring een inkomensverklaring aanwezig te zijn waaruit een inkomen van € 0 blijkt

  • -

    wanneer de belastingdienst geen inkomensverklaring kan afgeven omdat geen aangifte is gedaan dient men in beginsel alsnog aangifte te doen om een verklaring te kunnen krijgen. Zonder inkomens-verklaring is er geen zicht op het inkomen en het recht op toeslag.

 

 

In de volgende situatie moet bij de ouderverklaring “geen recht op toeslag”, de “aanvullende verklaring” worden toegevoegd:

  • -

    wanneer er bij een alleenstaande een inkomensverklaring is waaruit wel inkomen blijkt dient met aanvullende bewijstukken (beschikking of jaaropgaaf uitkeringsinstantie) aangetoond te worden dat dit geen inkomen uit arbeid is geweest waardoor men geen recht op toeslag heeft

  • -

    wanneer er bij twee ouders twee inkomensverklaringen zijn waaruit wel inkomen blijkt dient met aanvullende bewijstukken (beschikking of jaaropgaaf uitkeringsinstantie) aangetoond te worden dat dit bij een van beide partners geen inkomen uit arbeid is geweest waardoor men geen recht op toeslag heeft.

 

 

Het kan zijn dat er wel recht op toeslag is maar geen 8 uur per week [2] omdat er te weinig uren gewerkt wordt. In dat geval kan er gebruik gemaakt worden van een gesubsidieerde peuterplaats en hoeft er voor een deel van die plaats geen kinderopvangtoeslag te worden aangevraagd.

Bij een combinatie van subsidie en kinderopvangtoeslag is het risico te groot dat de kinderopvangtoeslag door de belastingdienst wordt teruggevorderd. Ouders zullen wel met bewijsstukken moeten kunnen onderbouwen dat er onvoldoende recht op kinderopvangtoeslag is. Uitgaande van 4 x 8 = 32 uur per maand peuteropvang ligt de grens voor 32 uur recht op toeslag voor de minst werkende partner rond de minder dan 6 uur per week.

De belastingdienst werk met een rekentool om het aantal uren recht op toeslag te berekenen gebaseerd op het aantal uren dat de minst werkende partner werkt. De instelling kan op basis van het aantal gewerkte uren nagaan of er onvoldoende recht op kinderopvangtoeslag is om een gesubsidieerde peuterplaats in te zetten.

 

 

In lid 6 is bepaald dat de instelling de ouderbijdrage factureert en int zoals vastgesteld in de gemeentelijke ouderbijdragetabel. De ouderbijdragetabel peuteropvang gaat uit van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage te betalen over 12 maanden. Voor het inkomen wordt uitgegaan van het verzamelinkomen.

 

 

Uitgangspunt is dat gebruik gemaakt wordt van het laatst bekende door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen. Vanaf 1 juni kan dat het verzamelinkomen van het voorafgaande jaar zijn. Maar het kan ook zijn dat mensen laat aangifte hebben gedaan of uitstel van aangifte hebben en dus nog geen recent vastgesteld verzamelinkomen kunnen overleggen.

Gebruik in dat geval het laatst bekende vastgestelde verzamelinkomen van het voor-voorgaande jaar.

 

 

In geval er sprake is van een recente forse inkomensterugval die nog niet te zien in het meest recent vastgestelde verzamelinkomen moet het mogelijk zijn om maatwerk te leveren. Bijvoorbeeld als men bewijsstukken kan overleggen dat een van beide inkomens fors is gedaald als gevolg van bijv. ontslag (al dan niet vrijwillig), verminderen van urenomvang of geheel of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In dat geval is het niet altijd mogelijk uit te gaan van het laatst bekende verzamelinkomen en is het zaak om bijvoorbeeld op basis van de laatste jaaropgave van de nog wel verdienende partner in combinatie met bijvoorbeeld loonstroken van de minder verdiende partner het jaarinkomen vast te stellen. Als het maar redelijkerwijs onderbouwd kan worden met bewijsstukken.

 

 

Als maatwerk wordt geleverd (dus niet wordt uitgegaan van het laatst bekende vastgestelde verzamelinkomen) is het niet meer mogelijk rekening te houden met aftrekposten, althans dat wordt niet verwacht van de instellingen die de ouderbijdrage vaststelt.

 

 

In lid 8 is bepaald dat peuters vanaf 2,5 jaar met een VE-indicatie verplicht zijn het totale aanbod van 640 uur per jaar te volgen. Dit vloeit voort uit het feit dat de wettelijke eis voor een voorschools aanbod voor doelgroep peuters van 2,5 tot 4 jaar uit minimaal 960 uur moet bestaan en dat de effectiviteit van de voorschoolse educatie groter is als dat aantal uren gevolgd wordt.

Om ouders te stimuleren ook werkelijk gebruik te maken van het totale aanbod, en bijvoorbeeld niet structureel alle dagdelen te volgen is bepaald dat men geen recht heeft op het verlaagde ouderbijdragetarief voor voorschoolse educatie als men niet het volledige aanbod volgt.

 

 

In lid 9 is bepaald dat de instelling verplicht is ouders te stimuleren daadwerkelijk gebruik te maken van de gesubsidieerde plaatsen. Dat geldt dus naast de voorschoolse educatie ook voor de peuteropvang voor niet doelgroep peuters.

Voorkomen moet worden dat ten onrechte subsidie wordt verstrekt voor peuterplaatsen die niet of niet volledig bezet zijn (men komt bijvoorbeeld niet alle dagdelen). Anderzijds moet er ruimte zijn om goed gemotiveerd (tijdelijk) geen of niet volledig gebruik te maken van de peuterplaats. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezondheidsproblemen van de peuter. Overleg bij twijfel met de gemeente om maatwerkafspraken te maken.

 

 

Artikel 4 Reikwijdte van de subsidieregeling

De gemeentelijke subsidie voor peuteropvang en voorschoolse educatie richt zich op voorzieningen binnen de gemeentegrenzen. Het kan voor komen dat peuters uit onze gemeente voorzieningen buiten de gemeente bezoeken omdat deze beter bereikbaar zijn of bijvoorbeeld beter aansluiten bij de schoolkeuze voor oudere kinderen uit het gezin. Het kan daarbij in sommige gevallen om substantiële aantallen per voorziening gaan. Dat geldt met name voor enkele voorzieningen die nabij de gemeentegrens liggen. Gemeente Hardenberg is van mening dat, omdat het inwoners uit onze gemeente betreft, het redelijk is daar ook bekostiging voor te regelen.

 

 

Gemeente Hardenberg is geen voorstander van individuele aanspraken van ouders op subsidie en subsidieert daarom ook de instellingen en niet de ouders. Om te voorkomen dat de gemeente voor een enkele peuter het hele subsidieproces moet doorlopen is bepaald dat alleen bij een substantieel gebruik van peuters uit onze gemeente, er subsidie kan worden verstrekt aan een voorziening van buiten de gemeente. Daarvoor is als grens een percentage van minimaal 35% peuters uit Hardenberg gesteld.

 

 

Omgekeerd kan het voor komen dat onze voorzieningen worden bezocht door peuters van buiten de gemeente of soms ook door peuters van over de landsgrenzen. Veelal zullen deze peuters na het volgen van het voorschoolse aanbod op een school binnen de gemeentegrenzen terecht komen. In die zin hebben de scholen er ook belang bij dat deze peuters het voorschoolse aanbod hebben gevolgd.

 

 

Omdat gemeenten veelal geen bekostiging geven voor peuters van ouders die een voorziening buiten de gemeente bezoeken zullen de voorzieningen in de gemeente die peuters van buiten aannemen daar geen bekostiging voor ontvangen. Gevolg daarvan kan zijn dat deze peuters geen voorschoolse voorziening bezoeken en daarmee de doorgaande lijn naar de voorschool missen.

Dit brengt voor de voorschoolse voorziening weer verlies van bezetting op wat bij een krimpend aantal kinderen het risico op “omvallen” vergroot.

 

 

Artikel 5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden van lid 1 vloeien logisch voort uit de verplichtingen die aan de subsidies verbonden zijn.

 

 

Lid 2 bepaalt dat (met uitzondering van art. 4 lid 1.b.) subsidie wordt geweigerd aan instellingen die op 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar geen voorziening in de gemeente Hardenberg geregistreerd heeft. Met geregistreerd wordt bedoeld dat op 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar het hele registratieproces met succes moet zijn doorlopen. Dat houdt in dat de voorziening in het openbare deel van het landelijk register kinderopvang zichtbaar moet zijn.

De datum van 1 september is gekozen omdat er een relatie ligt met de verdeelregels van de gelden op basis van het subsidieplafond (art. 8 lid 2.a.iii en 2.b.iii).

 

 

Artikel 6 Grondslag voor de subsidieberekening

De subsidie per peuterplaats peuteropvang op jaarbasis wordt berekend op basis van de formule:

  • opgegeven uurprijs kalenderjaar (tot het vooraf vastgesteld maximum) x 320 uur verminderd met de inkomensafhankelijke ouderbijdrage

 

 

De subsidie per peuterplaats peuteropvang VE op jaarbasis wordt berekend op basis van de formule:

  • opgegeven uurprijs kalenderjaar (tot het vooraf vastgestelde maximum) x 640 uur vermeerderd met de forfaitaire VE bijdrage per jaar en verminderd met de ouderbijdrage voor een peuterplaats VE

     

  • een peuterplaats peuteropvang VE voor een peuter van 2 tot 2,5 jaar bevat 160 uur en telt als 0,25 peuterplaats peuteropvang VE

 

 

Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks de maximale uurprijs vast waarvoor subsidie wordt verleend voor peuteropvang en VE. Deze uurprijs is oorspronkelijk gebaseerd op een kengetal van een werkgeversorganisatie in de kinderopvang en wordt jaarlijks bijgesteld op basis van indexeringen en ontwikkelingen in de kostprijs als gevolg van bijvoorbeeld wijzigingen in de omvang van de groepen of duur van de dagdelen.

 

 

Uitgangspunt is dat de uurprijs voor peuteropvang voor niet doelgroep peuters en doelgroep peuters gelijk is. De extra kosten voor een VE plaats worden gecompenseerd door de forfaitaire bijdrage o.g.v. art. 6 lid 4.

 

 

Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks de ouderbijdragetabel voor de peuteropvang vast.

De ouderbijdragetabel wordt afgeleid van de kinderopvangtoeslag voor het kalenderjaar.

De gemeentelijke ouderbijdragetabel peuteropvang kan daarvan onder andere afwijken voor wat betreft het aantal inkomenscategorieën dat lager kan zijn.

 

 

Bij de subsidieverantwoording moet per peuterplaats een opgave worden gedaan van de gefactureerde ouderbijdrage. Bij de controle van de verantwoording kan worden getoetst of de ouderbijdrage op de juiste wijze is vastgesteld. Als de ouderbijdrage te hoog of te laag is vastgesteld wordt dit gecorrigeerd bij de subsidievaststelling.

 

 

Artikel 7 De subsidieaanvraag

Aanvragen voor subsidie peuterplaatsen peuteropvang of VE in de peuteropvang moeten deze aanvraag voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar indienen. Alleen compleet ingevulde aanvragen kunnen in behandeling worden genomen.

 

 

Burgemeester en wethouders kunnen formulieren vaststellen voor het indienen van de subsidieaanvraag.

Onder formulieren kan ook worden verstaan een rekenmodel dat door de instelling wordt ingevuld op basis waarvan het aan te vragen subsidiebedrag kan worden berekend.

 

 

Artikel 8 Het subsidieplafond

Voor de volgende subsidies geldt een jaarlijks subsidieplafond:

  • -

    peuterplaatsen peuteropvang

  • -

    peuterplaatsen VE

 

 

Voor de verdeling van de bedragen van de subsidieplafonds geldt de volgende systematiek.

Het totaal van het aantal te subsidiëren plaatsen peuteropvang wordt als volgt bepaald

  • -

    als het totaal aantal aangevraagde plaatsen op basis van de subsidie per plaats binnen het totale bedrag van het subsidieplafond valt wordt het aantal aangevraagde plaatsen toegekend;

  • -

    als het totaalbedrag van de aanvragen het subsidieplafond overschrijd vindt er een herverdeling plaats deze herverdeling wordt in eerste instantie gebaseerd op de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar in de aanvraag opgegeven bezette plaatsen , met dien verstande dat elke aanvrager minimaal 2 plaatsen toegekend krijgt, en

  • -

    als er daarna nog budget resteert wordt dit verdeeld op basis van de geregistreerde kindplaatsen kinderdagverblijf zoals per instelling geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang op 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar.

 

 

Voor de verdeling van de plaatsen peuteropvang VE geldt dezelfde systematiek.

 

 

Het toekennen van minimaal 2 plaatsen is bedoeld om elke instelling die voornemens is plaatsen peuteropvang en/of VE te realiseren de kans te bieden een minimumaantal plaatsen te realiseren.

 

 

In de subsidieregeling is geen bepaling opgenomen over indexering van het jaarlijks subsidieplafond. Het is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om rekening houdend met verschillende factoren de hoogte van de subsidieplafonds vast te stellen.

Factoren die daarbij mee kunnen wegen zijn o.a. de groei of daling van het gebruik van peuteropvang of VE maar bijvoorbeeld ook de stijging of daling van het maximum uurtarief voor een kindercentrum (niet zijnde buitenschoolse opvang) voor de kinderopvangtoeslag die o.a. gebaseerd is op de kostenontwikkeling in de kinderopvang.

 

 

Artikel 9 De subsidieverlening

Bij de subsidieverlening wordt bepaald of er een voorschot op de subsidie wordt verleend, hoe groot dat voorschot zal zijn en wanneer het betaalbaar wordt gesteld. In de verleningsbeschikking wordt de hoogte van het voorschot onderbouwd.

 

 

Artikel 10 Rapportageverplichtingen

In lid 1 is aangegeven welke gegevens moeten worden aangeleverd voor de subsidievaststelling.

 

 

Voor de subsidie peuteropvang moeten bewijsstukken worden overlegd waaruit blijkt dat rechtmatig aanspraak wordt gemaakt op peuteropvang. Die bewijsstukken bestaan uit de volledig ingevulde verklaring geen recht op toeslag (met kopie inkomensverklaring belastingdienst) en in geval er wel sprake is van inkomen maar niet uit arbeid tevens de aanvullende verklaring (met kopie bewijsstuk dat het geen inkomen uit arbeid betreft zoals bijv. een beschikking van een uitkeringsinstantie).

 

 

Voor de subsidie peuterplaatsen VE moeten kopieën van bewijsstukken worden overlegd waaruit blijkt dat rechtmatig gebruik gemaakt wordt van voorschoolse educatie (de indicatie van de Jeugdgezondheidszorg). Wanneer de gemeente een eigen vve administratie voert is het niet nodig bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie kopieën van de VE-indicatie bij te voegen.

 

 

Wanneer er subsidie wordt verantwoord voor een peuter die niet in de gemeentelijke vve administratie voorkomt kan een kopie van een VE-indicatie bij de instelling worden opgevraagd.

Burgemeester en wethouders kunnen formulieren vaststellen voor het indienen van de gegevens.

Onder formulieren kan ook worden verstaan een rekenmodel dat door de instelling wordt ingevuld en waarmee op basis van deelnamegegevens per peuter het aantal gerealiseerde peuterplaatsen peuteropvang en/of VE kan worden berekend en op basis van de uurprijs en de ouderbijdrage (en voor zover van toepassing het forfaitaire VE-bedrag) de vast te stellen subsidie per peuterplaats en vervolgens het totaal van de gerealiseerde peuterplaatsen per voorziening en per instelling kan worden vastgesteld.

 

 

HOOFDSTUK III de subsidievaststelling

 

 

Artikel 11 De subsidievaststelling

Voor zover de subsidie niet direct is vastgesteld bij de subsidieverlening moet na afloop van het kalenderjaar een verzoek tot vaststelling van de subsidie worden ingediend.

 

 

Daarvoor gelden verschillende termijnen

- peuterplaatsen VE: 1 februari volgend op het subsidiejaar

- peuterplaatsen peuteropvang: 1 mei volgend op het subsidiejaar

De datum van 1 februari voor de VE-verantwoording is gekozen om op basis van de vastgestelde subsidie deze bedragen mee te kunnen nemen in de SISA-verantwoording bij de gemeentelijke jaarrekening van de besteding van de doeluitkering onderwijsachterstandsgelden.

 

 

Bij de subsidievaststelling wordt onder andere het aantal gerealiseerde peuterplaatsen berekend.

Een plaats die bezet is van 1 januari tot 1 juli is een plaats die 181 dagen is bezet. De vast te stellen subsidie is dan vervolgens het bedrag per plaats x 181/365 = 0,5 gerealiseerde peuterplaats (afgerond).

 

 

Uitgangspunt voor de subsidievaststelling van de subsidie peuterplaatsen peuteropvang is 320 uur op jaarbasis x de uurprijs voor het kalenderjaar x de omvang van de gerealiseerde peuterplaats vermindert met de verplichte inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

 

 

Uitgangspunt voor de subsidievaststelling van de subsidie peuterplaatsen VE is 640 uur op jaarbasis x de uurprijs voor het kalenderjaar + de forfaitaire bijdrage voor een VE plaats x de omvang van de gerealiseerde peuterplaats vermindert met de verplichte inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

 

 

In deze regeling wordt afgeweken van de termijnen en wijze van verantwoording afleggen zoals omschreven in art. 14 tot en met 16 van de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018.

 

 

Verder zijn op subsidies verstrekt op grond van deze regeling zijn in beginsel art 16 lid 2 c en d 16 van de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 niet van toepassing.

Een balans van het subsidietijdvak voegt niet zo veel toe voor de informatie benodigd voor de vaststelling van subsidie voor plaatsen peuteropvang en VE. Deze subsidies worden verleend op grond van vooraf door het college vastgestelde objectieve (maximale) bedragen. Als de prestatie geleverd is is het ook logisch dat de subsidie conform het vastgestelde bedrag voor die prestatie wordt vastgesteld als aan voorwaarden voldaan is. Het gaat hier dus niet om exploitatiesubsidies gebaseerd op een afrekening van gerealiseerde kosten en baten, zoals in de toelichting op de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 omschreven wordt.

Het totale exploitatieresultaat van de instelling of de balanspositie zijn daarvoor minder relevant.

 

 

Burgemeester en wethouders kunnen in gevallen waarin zij dat wel noodzakelijk achten in de subsidiebeschikking het verstrekken van gegevens zoals omschreven in de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 art 16 lid 2 c en d bij de subsidieverantwoording verplicht stellen.

 

 

HOOFDSTUK IV slot- en overgangsbepalingen

 

 

Artikel 12 Citeerartikel 

Spreekt voor zich, geen toelichting.

 

 

Artikel 13 Hardheidsclausule 

Spreekt voor zich, geen toelichting.

 

 

Artikel 14 Inwerkingtreding 

Spreekt voor zich, geen toelichting.

 

 

Artikel 15 Overgangsbepaling

Spreekt voor zich, geen toelichting

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2016/05/27/bijlage-bestuurlijke-afspraken-een-aanbod-voor-alle-peuters

[2] Het gemiddeld aantal uren per week uitgaande van 320 uur op jaarbasis = 40 weken x 8 uur per week