VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP GEMEENTE HARDENBERG 2019

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
21-12-2018





VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP GEMEENTE HARDENBERG 2019

 

De raad van de gemeente Hardenberg;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 november 2018;

 

Besluit:

 

Onder gelijktijdige intrekking van de op 19 december 2017 vastgestelde 'Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2018' de 'Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2019' vast te stellen.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg d.d. 18 december 2018.

 

De raad voornoemd,

 

De griffier, De voorzitter,

F.G.S. Droste P.H. Snijders

 

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

 

De artikelen van deze paragraaf hebben zowel betrekking op de invulling van de plicht tot ondersteuning, zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als op de uitvoering van de bepalingen van de Jeugdwet.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikle 2.3.2, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan wel ter uitvoering van artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet ;

  • b.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. De aanvraag is vergezeld van een pgb-plan als de inwoner verzoekt om een persoonsgebonden budget;

  • c.

    hoogte persoonsgebonden budget: het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gebaseerd op het door de inwoner opgestelde persoonlijk budgetplan over hoe hij het persoonsgebonden budget wenst te besteden;

  • d.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan wel ter uitvoering van artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet;

  • e.

    pgb: wordt in paragraaf 2 verstaan: een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; onder pgb wordt in paragraaf 3 verstaan: een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet;

  • f.

    persoonlijk budgetplan: plan waarin de inwoner omschrijft hoeveel persoonsgebonden budget hij nodig heeft voor een maatwerkvoorziening en waaraan hij het toe te kennen budget wil gaan besteden;

  • g.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt, dan wel door de jeugdige en ouder(s) 1 , bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk binnen twee werkdagen.

Artikel 3. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt of de jeugdige en zijn situatie en maakt binnen vijf werkdagen met hem een afspraak voor een gesprek. Wanneer het een hulpvraag betreft in het kader van de Jeugdwet brengt het college de jeugdige en zijn ouder(s) op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van deze wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouder(s) daarom verzoeken draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 2.

    Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s) het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover hij op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s) verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten;

    • a.

      te verzoeken in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 4.

    Als de cliënt of de jeugdige genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek (ook ondersteuningsplan genoemd), bestaande uit hetgeen in het vooronderzoek en uit het gesprek naar voren is gekomen.

  • 2.

    Binnen uiterlijk vijf werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt, dan wel aan de jeugdige of zijn ouder(s) een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 5. Aanvraag, verantwoording en beëindiging pgb

  • 1.

    Bij de aanvraag om een pgb deint de aanvrager een persoonlijk budgetplan in, waaruit blijkt wat de kwaliteit van de ondersteuning zal zijn en hoe het beheer van het pgb wordt uitgevoerd.

  • 2.

    De budgethouder is verplicht:

    • a.

      Aan de Sociale Verzekeringsbank de zorgovereenkomst tussen de budgethouder en de zorgverlener te verstrekken;

    • b.

      Andere documenten te verstrekken, indien dit in de beschikking is vermeld.

  • 3.

    Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden budget moet de ontvanger van het persoonsgebonden budget rekening houden met controle door het college naar de besteding van het persoonsgebonden budget en moet de belanghebbende de hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar houden.

  • 4.

    Het persoonsgebonden budget wordt beëindigd:

    • a.

      op de eerste dag van de maand volgend op de maand dat belanghebbende is overleden, dan wel niet langer staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen van de gemeente Hardenberg;

    • b.

      met ingang van de dag vanaf welke belanghebbende heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het verstrekte persoonsgebonden budget;

    • c.

      indien de budgethouder de verplichtingen niet nakomt.

Artikel 6. Afwegingskader voor verstrekking pgb ten behoeve van een persoon die behoort tot het sociale netwerk

Bij het verstrekken van een pgb om een maatwerkvoorzieing dan wel een individuele voorziening te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de cliënt of jeugdige en/of ouder(s) worden de volgende afwegingsfactoren gehanteerd:

  • 1.

    wanneer er sprake is dat de gevraagde voorziening al vanuit de sociale relatie van de aanvrager wordt geleverd of als redelijk vanzelfsprekend kan worden beschouwd dat deze vanuit de sociale relatie wordt geleverd, kan een pgb worden geweigerd;

  • 2.

    degene die de voorziening levert dient de gevraagde voorziening te leveren zonder dat er sprake is van overbelasting. Het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp en de mate van verplichting zijn hierin van belang;

  • 3.

    degene die de voorziening levert dient op geen enkele wijze druk op de cliënt of jeugdige en of ouder(s) uit te oefenen bij zijn besluit om een pgb aan te vragen.

Artikel 7. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • 2.

        de vast prijs, bedoeld in onderdeel a

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de conitnuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid zij een overeenkomst aangaat.

Artikel 8. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Er is een Participatieraad voor de advisering bij de uitvoering van de wet.

  • 2.

    De Participatieraad bestaat uit leden die in staat zijn de belangen van de ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten, jeugdigen en ouders en hun vertegenwoordigers, in relatie tot de uitvoering van de wet in voldoende mate te behartigen.

  • 3.

    De Participatieraad, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      wordt door het college betrokken bij de beleidsvoorbereiding en –evaluatie;

    • b.

      is bevoegd om uit eigen beweging het college te voorzien van advies ten aanzien van de uitvoering van de wet;

    • c.

      wordt periodiek uitgenodigd voor een overleg over de uitvoering van de wet;

    • d.

      is bevoegd om onderwerpen voor het overleg aan te dragen.

  • 4.

    Het college draagt er zorg voor dat de Participatieraad tijdig in het bezit is van alle informatie die noodzakelijk is voor het overleg met de gemeente of om zijn adviesrol naar behoren uit te oefenen.

     

Paragraaf 2 Maatschappelijke ondersteuning

 

De artikelen van deze paragraaf hebben uitsluitend betrekking op de invulling van de plicht tot ondersteuning, zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Artikel 9. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  • b.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • c.

    bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • d.

    informele zorg: zorg die geleverd wordt door mantelzorgers en vrijwilligers;

  • e.

    voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

  • f.

    Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 10. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning bij nadere regels op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

Artikel 11. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen , als gevolg waarvan de cliënt onvoldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • -

        op eigen kracht;

      • -

        met gebruikelijke hulp;

      • -

        met mantelzorg;

      • -

        met hulp van andere personen;

      • -

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of

      • -

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen

       

      De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of

       

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huislijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • -

        op eigen kracht;

      • -

        met gebruikelijke hulp;

      • -

        met mantelzorg;

      • -

        met hulp van andere personen; of

      • -

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen

       

      De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, dan wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 3.

    Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

  • 4.

    Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan , vast in een beschikking.

Artikel 12. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning waarvoor aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of regeling ;

    • b.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    • c.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • d.

      indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • e.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de datum van het besluit heeft gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • f.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan de cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten;

    • g.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      Indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de cliënt met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte zouden worden ondervonden;

    • b.

      Indien de cliënt is verhuisd van een adequate woning naar een niet adequate woning, tenzij omstandigheden van de cliënt de verhuizing noodzakelijk maken en het college hiervoor vooraf toestemming heeft verleend;

    • c.

      Voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • d.

      Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;

    • e.

      Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren en het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 13. Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    De hoogte van een pgb beschermd wonen wordt bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget en bedraagt maximaal 81% van de maximale subsidiabele kosten van de maatwerkvoorziening beschermd wonen in natura.

  • 5.

    De hoogte van een pgb voor de resultaatgebieden sociaal contracteren bedraagt 82% van het natura budget, die berekend is volgens de regels van de geldende raamovereenkomst sociaal contracteren.

  • 6.

    De hoogte van een pgb voor een zaak wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten;

  • 7.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt , kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

    • a.

      deze persoon hiervoor het tarief hanteert van maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerk voorziening in natura met maximaal het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22, lid 2 van de Regeling langdurige zorg is vermeld, en

    • b.

      tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

  • 8.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 9.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

  • 10.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na verstrekking niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

 

Artikel 14. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • d.

      de door het college gehanteerde uitgangspunten voor de bijdrage in de kosten, zoals de kostprijs van de voorziening, en

    • e.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 15. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van hulp bij het huishouden van € 108,- per maand;

  • 2.

    Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid is een korting van toepassing op grond van onderstaande tabel:

     

    % van bijstandsnorm

    Eigen bijdrage inwoner

    Korting

    t/m 110%

    € 27,00

    € 81,00

    t/m 120%

    € 54,00

    € 54,00

    t/m 130%

    € 81,00

    € 27,00

    > 130%

    € 108,00

    € 0,00

Artikel 16. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen in natura en pgb's.

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

  • 2.

    De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal van de bijdragen, is maximaal gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen.

  • 3.

    De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 4.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) vastgesteld en geïnd.

  • 5.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    De maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning dient van een goede kwaliteit te zijn waaronder tevens begrepen wordt de deskundigheid van de beroepskrachten die de ondersteuning leveren door:

    • a.

      af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;;

    • b.

      af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      te waarborgen dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van de ondersteuning handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      te waarborgen dat beroepskrachten op de hoogte zijn van en rekening houden met de wensen, mogelijkheden en beperkingen van de informele zorg die wordt verleend.

  • 2.

    Voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Het college houdt, naast met hetgeen in artikel 7 is bepaald, in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

  • a.

    De marktprijs van de voorziening, en

  • b.

    De eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

    • I.

      aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

    • II.

      instructie over het gebruik van de voorziening;

    • III.

      onderhoud en eventueel verzekering van de voorziening, en

    • IV.

      verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 19. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1.

    Het college informeert de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden;

    • e.

      de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Als het recht op een in eigendom of in gebruik of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 20. Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet;

  • 2.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, onder e;

  • 3.

    Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht;

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering wordt door het college na overleg met de Participatieraad vastgesteld;

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 22. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen.

  • 1.

    Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2. van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of lichamelijke, chronische, psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2.

    De tegemoetkoming voor:

    • a.

      een autoaanpassing bedraagt maximaal € 3.250,-. Deze tegemoetkoming wordt eenmaal per zeven jaar verstrekt.

    • b.

      verhuis- en herinrichtingskosten bedraagt: € 3.000,-;

    • c.

      aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel/sporthandbike bedraagt: € 2.500,-. Deze tegemoetkoming wordt eenmaal per drie jaar verstrekt.

    • d.

      Het bezoekbaar maken van een woning bedraagt: € 3.000,-.

Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de r verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld an de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 24. Klachtenregeling bij aanbieders

  • 1.

    Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening dient te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten .

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders

  • 1.

    De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening dient te beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

     

Paragraaf 3 Jeugdhulp

 

De artikelen van deze paragraaf hebben uitsluitend betrekking op de uitvoering van de bepalingen van de Jeugdwet.

Artikel 26. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Andere voorziening: een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • b.

    Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 27, lid 2 van deze verordening;

  • c.

    Overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 27, lid 1 van deze verordening

Artikel 27. Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Preventie, inclusief advies en voorlichting;

    • b.

      Lichte (opvoed)ondersteuning;

    • c.

      Jeugdgezondheidszorg, maatwerkdeel;

    • d.

      Maatschappelijk werk;

    • e.

      Vertrouwenspersoon;

    • f.

      Veilig Thuis;

    • g.

      mantelzorgondersteuning

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Intensieve opvoedondersteuning;

    • b.

      Intensieve begeleiding

    • c.

      Persoonlijke verzorging;

    • d.

      Specialistische behandeling;

    • e.

      Kortdurend verblijf;

    • f.

      Pleegzorg;

    • g.

      Forensische zorg;

    • h.

      Crisisopvang;

    • i.

      Residentiele hulp;

    • j.

      Gesloten jeugdzorg.

Artikel 28. Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 33.

Artikel 29. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Het college stelt bij nadere regeling regels met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze zij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen.

Artikel 30. Criteria voor een individuele voorziening

  • 1.

    Een jeugdige of een ouder komt in aanmerking voor een individuele voorziening indien een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en voor zover de jeugdige of zijn ouder(s) deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      op eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp ;

    • c.

      met mantelzorg;

    • d.

      met hulp van andere personen in zijn sociale netwerk;

    • e.

      met gebruikmaking van andere en overige voorzieningen.

  • 2.

    De individuele voorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de jeugdige in staat wordt gesteld tot:

    • a.

      gezond en veilig op te groeien;

    • b.

      te groeien naar zelfstandigheid, en

    • c.

      voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau

  • 3.

    Recht op een individuele voorziening bestaat slechts voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Artikel 31. Voorwaarden en weigeringsgrond voor een individuele voorziening

Geen individuele voorziening wordt verstrekt:

  • a.

    voor zover de jeugdige of de ouder op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de problemen kan verminderen of wegnemen;

  • b.

    voor zover de jeugdige of de ouder met gebruikmaking van andere en overige voorzieningen de problemen kan verminderen of wegnemen.

Artikel 32. Regels voor pgb

  • 1.

    Het tarief voor een pgb: 

    • a.

      is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden;

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede jeugdhulp die tot de individuele voorzieningen behoren van derden te betrekken;

    • c.

      bedraagt – onverminderd het bepaalde in lid 3 – ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

    • d.

      het college kan afwijken van het uitgangspunt onder voorgaande sub c indien de pgb-houder overtuigend kan aantonen dat het pgb niet toereikend is om tot een met natura vergelijkbare compensatie te komen.

  • 2.

    De kostprijs van de zorg in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop.

  • 3.

    Het tarief voor een pgb voor jeugdhulp door:

    • a.

      een jeugdhulpaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen (en werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura;

    • b.

      een jeugdhulpaanbieder zijnde een solistisch werkende jeugdhulpverlener (zzp’er) en die werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling bedraagt maximaal 82% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura;

    • c.

      een persoon uit het sociale netwerk dan wel een persoon anders dan de onder a en b genoemde jeugdhulpaanbieders bedraagt maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met maximaal het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22, lid 2 van de Regeling langdurige zorg is vermeld.

  • 4.

    Het pgb mag niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelings- en coördinatietaken alsmede begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb.

  • 5.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na verstrekking niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 6.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

 

Artikel 33. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening, wordt aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing ,

    • d.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      aan welk resultaat het pgb kan worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 34. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouder(s) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb of

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

     

Paragraaf 4 Overige bepalingen, inwerkingtreding en citeerartikel

Artikel 35. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 36. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met ingang van 1 januari 2019 in werking, onder gelijktijdige intrekking van de op 19 december 2017 vastgestelde "Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2018".

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2019”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg d.d. 2018.

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

Artikelsgewijze toelichting

 

PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien zowel de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die voor zowel de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als voor de Jeugdwet van toepassing zijn.

 

Artikel 2. Melding hulpvraag

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vorm vrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan “door of namens de cliënt, dan wel jeugdige en ouder(s)” worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt, jeugdige en ouder(s) kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid of andere betrokkene de melding doen.

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd. Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Aangezien het onderzoek na de melding maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.

 

Artikel 3. Vooronderzoek

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s) relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Hierdoor is ook een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen.

 

In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de cliënt, jeugdige of zijn ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

 

Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

 

Artikel 4. Verslag

De bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vorm vrij. Hierbij kan bijvoorbeeld worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de Memorie van Toelichting op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dit moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cli:ent. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement), waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen.

 

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar enkele dagen overeen. Om deze reden is in het tweede lid bepaald dat uiterlijk binnen vijf werkdagen na het gesprek aan de cliënt, jeugdige of zijn ouder(s) een verslag wordt verstrekt.

Het is mogelijk dat na het gesprek de cliënt, jeugdige of zijn ouder(s) bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, of dat hij nog aanvullende opmerkingen heeft.

Lid 3 bepaalt dat opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt, jeugdige of zijn ouder(s) aan het verslag worden toegevoegd.

 

Artikel 5. Aanvraag, verantwoording en beëindiging pgb

In dit artikel is onder meer bepaald dat bij een aanvraag om een pgb de aanvrager een persoonlijk budgetplan moet indienen, waaruit blijkt wat de kwaliteit van de ondersteuning zal zijn. Op basis van dit plan beoordeelt het college of aan de kwaliteitseisen wordt voldaan die gelden voor de besteding van het pgb.

 

De uitbetaling aan de zorgverlener vindt plaats door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In verband hiermee dient de budgethouder de zorgovereenkomst met de zorgverlener aan de SVB te verstrekken.

 

Verder is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot de verantwoording. De termijn van vijf jaar die in dit artikel wordt genoemd wordt ook door de belastingdienst gehanteerd.

 

De bepalingen van het vierde lid met betrekking tot de beëindiging van het pgb spreken voor zich.

 

Artikel 6. Afwegingskader voor verstrekking pgb ten behoeve van een persoon die behoort tot het sociale netwerk

Dit artikel geeft een globaal afwegingskader voor de verstrekking van een pgb ten behoeve van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Uitgangspunt is dat de beloning van het sociale netwerk beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

 

Artikel 7. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Algemeen

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten ( artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld er waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6., eerste lid van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegevens aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels e stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.

 

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).

Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 7 zien dan ook niet toe op subsidies. Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen.

 

Op grond van artikel 5.4., tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 7. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen 2 over de normering van kostprijselementen beschikbaar die het college en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs.

 

Een vast prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (artikel 7, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zij als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat de aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden ( de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van het college evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtlijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

 

Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onder b), een voorde sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kan het college en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen. Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.:114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2:114, tweede lid, van de Aanbestedinswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria het college toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de berokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van de artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

 

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijvingen het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van die wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reele prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

 

Vierde lid

Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Vijfde lid

Het college bepaalt met welke derde het college een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

NB: Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt in werking per 1 juni 2017. Het nieuwe artikel 5.4. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 7 van deze verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningsbeslissing).

Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4 (artikel 7 van deze verordening).

 

Artikel 8. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

Op grond van de wet dient in de verordening bepaald te worden op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet. Dit artikel van de verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke bepaling. De Participatieraad wordt nauw betrokken bij de beleidsvoorbereiding en –evaluatie met betrekking tot de wet. De Participatieraad mag gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen en voert periodiek overleg over de uitvoering van de wet, waarbij de Participatieraad ook zelf agendapunten mag aandragen.

 

PARAGRAAF 2 MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

 

Artikel 9. Begripsbepalingen

In aanvulling op de definities die in artikel 1 worden genoemd zijn hier enkele definities opgenomen die uitsluitend betrekking hebben op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

Artikel 10. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid , participatie, beschermd wonen of opvang.

 

Artikel 11. Criteria voor een maatwerkvoorziening

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

 

Artikel 12. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorzieningen

In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben (rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. Zut 12/1823). Ook in het kader van de rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen.

 

Lid 1

a: De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

 

b.: Dit betreft een herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de Wmo 2015 centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

 

c.: Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de Wmo 2015. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.

 

d.: Het is niet de bedoeling dat de gemeente voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou ( hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

Is de voorziening gewoon te koop?

Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

 

e: Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.

 

f: In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft.

 

g.: De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.

 

Lid 2:

In het tweede lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op maatwerkvoorzieningen die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term “woonvoorziening”, een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.

  • a.

    Van cliënten mag verwacht worden dat ze bij het betrekken van een nieuwe woning rekening houden met hun beperkingen. In de jurisprudentie wordt dit bevestigd (CRvB 28-10-2015, nr. 14/3463Wmo) De Centrale Raad oordeelde dat de cliënt al ten tijde van de verhuizing naar de huidige woning had kunnen voorzien dat op een zeker moment aanpassingen nodig zouden zijn (aanvraag terecht geweigerd).

 

Artikel 13. Regels voor pgb

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motiveringseis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen.

 

Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

Het derde en vierde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.

In de memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschilende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen.

 

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.

Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.

 

Lid 4:

In het vierde lid is vastgelegd dat de hoogte van een pgb beschermd wonen wordt bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt daarbij ten eerste rekening gehouden met de noodzakelijke ondersteuningsbehoefte, welke wordt uitgedrukt in zorgzwaartepakketten . Naar mate een cliënt meer intensieve begeleiding en toezicht nodig heeft, leidt dit tot een hoger zorgzwaartepakket en een hoger pgb, zodat de cliënt in staat wordt gesteld de noodzakelijke ondersteuning in te kopen. Daarnaast maken toeslagen het mogelijk om recht te doen aan verschillen die er zijn bij cliënten. Het gaat dan om toeslagen vanwege het al dan niet wonen in een wooninitiatief, al dan niet dagbesteding (met al dan niet daarmee samenhangend vervoer). Met de zorgzwaartepakketten alsmede de toeslagen is in hoge mate maatwerk mogelijk.

De pgb’s beschermd wonen zijn bij beschermd wonen lager dan de vastgestelde maximale kosten in natura, omdat bij een pgb beschermd wonen de cliënt zelf de huur van de accommodatie betaalt. Dit terwijl de aanbieder – bij beschermd wonen in natura – ook bekostigd wordt voor de huisvestingskosten. Daarom zijn de maximale kosten beschermd wonen in natura hoger dan de pgb’s beschermd wonen.

In het algemeen is er geen wezenlijk verschil als het gaat om de financiële bijdrage die gevraagd wordt van de cliënt. Bij het pgb beschermd wonen betaalt de cliënt immers huur (maar betaalt de cliënt de lage eigen bijdrage aan het CAK). Bij beschermd wonen in natura betaalt de cliënt normaliter geen huur (maar betaalt de cliënt de hoge eigen bijdrage aan het CAK).

 

Lid 5:

In het vijfde lid is de hoogte van het pgb vastgelegd voor de resultaatgebieden sociaal contracteren.

Het betreft hier de volgende resultaatgebieden:

 

  • 1)

    administratie en financiën;

  • 2)

    regie bij het huishouden;

  • 3)

    regelvermogen en dagstructuur;

  • 4)

    dagbesteding (al dan niet arbeidsmatig);

  • 5)

    sociaal en persoonlijk functioneren;

  • 6)

    zelfzzorg en gezondheid;

  • 7)

    draagkracht mantelzorg.

 

Ten opzichte van de aanbieders van Wmo voorzieningen die op basis van de raamovereenkomst sociaal contracteren werken, hebben de aanbieders die zich door middel van het pgb laten financieren bepaalde voordelen. Zij zijn immers niet gehouden aan de bepalingen in de raamovereenkomst, zoals de acceptatieplicht voor alle inwoners en alle resultaatgebieden en kwaliteitsbepalingen. Aanbieders die uitsluitend op financiering via het pgb koersen, zijn doorgaans de kleinere gespecialiseerde aanbieders. Dit heeft er toe geleid dat het resultaatbudget dat via pgb wordt besteed , verlaagd is ten opzichte van het “naturabudget”.

 

Lid 7:

Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door een persoon uit het sociale netwerk wordt vastgesteld op maximaal 50% van de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst adequate maatwerk voorziening in natura met maximaal het gangbare tarief voor personen uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg. Dit tarief bedraagt op dit moment € 20,- per uur. Door de dynamische verwijzing naar het stelsel van de Wet langdurige zorg stijgt het bij de uitvoering van deze verordening gehanteerde tarief mee als het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gehanteerde tarief stijgt.

 

Lid 10.

Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.

 

Artikel 14. Inhoud beschikking

Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een voorziening in “natura” krijgt. Indien gewenst bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

Tweede lid, onder a, en derde lid onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld “mobiliteit” en niet “een scootmobiel”.

Lid 4:Deze bepaling dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente wordt geïnd door het CAK.

 

Artikel 15. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn..

In onze gemeente wordt hulp bij het huishouden als algemene voorziening aangeboden.

In lid 1, onder a is bepaald dat de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor het gebruik van de algemene voorziening hulp bij het huishouden.

Naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016 dient de hoogte van de eigen bijdrage voor een algemene voorziening expliciet in de verordening worden vermeld. In dit artikel is het bedrag opgenomen dat de cliënt per maand als bijdrage verschuldigd is voor de algemene voorziening hulp bij het huishouden.

De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat wanneer er sprake is van een korting op de eigen bijdrage voor bepaalde cliëntgroepen dit in de verordening dient te worden vastgelegd. In het tweede lid van dit artikel is een tabel opgenomen, waarin de kortingen op de eigen bijdrage voor de verschillende doelgroepen is opgenomen.

 

Artikel 16. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s

Dit artikel geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet.

Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is gelimiteerd tot een bedrag van maximaal € 17,50 per periodebijdrage.

Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen in natura dan wel pgb’s is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen (deze limitering volgt uit artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet).

De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dit kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de drie onderdelen van het derde lid van dit artikel

 

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft de uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet , waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en volgende van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijks cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.

 

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Deze bepaling is een aanvulling op hetgeen is vermeld in artikel 7 van deze verordening.

 

Artikel 19. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3., vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Op grond van het derde lid, onderdeel e, kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg, op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet.

 

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening in natura of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;

“omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.”

In het vijfde lid is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen.

 

Artikel 20. Opschorting betaling uit het pgb

Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden.

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aanegaan of bij herziening van de toekenningsbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB e verzoeken over te gaan tot opschorting. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:

  • 1.

    de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

  • 2.

    de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebondenbudget verbonden voorwaarden, of

  • 3.

    de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

 

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

 

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijk besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.

 

Op grond van het tweede lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, onder e. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

 

Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De verordening moet in ieder geval voorzien in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht.

 

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Kort en goed komt het erop neer dat – met inachtneming van het bovenstaande – mantelzorgers van cliënten in de gemeente via een melding bij het college in aanmerking kunnen worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerse lid). Onder andere ten aanzien van de meldingsprocedure kan het college nadere regels stellen.

 

Artikel 22. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of lichamelijke, chronische, psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

De tegemoetkomingen die in dit verband worden bedoeld, zijn de tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassing, tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten, tegemoetkoming in de aanschaf en het onderhoud van een sportrolstoel/sporthandbike en het bezoekbaar maken van een woning.

De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking en meer in het bijzonder een subsidiebeschikking. De bepalingen in de A w b, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn hierop van toepassing.

De tegemoetkoming kan een alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening of een pgb. Hiervoor is wel vereist dat de cliënt zelf kiest voor een tegemoetkoming. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening of pgb en die tijdens het onderzoek naar de aanvraag de keuze krijgt om een tegemoetkoming te ontvangen voor de door hem gewenste voorziening. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee hij meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de A w b worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de A w b onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.

 

Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

 

Artikel 24. Klachtenregeling bij aanbieders

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtenregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). In de verordening geldt deze verplichting voor iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening.

 

In de Memorie van Toelichting staat dan cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening dienen te beschikken over een regeling voor medezeggenschap. Deze aanbieders zijn op grond van artikel 3.2, eerste lid, onder b van de wet verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen.

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door de aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

 

PARAGRAAF 3 JEUGDHULP

 

Artikel 26. Begripsbepaling

De hier genoemde definitie is aanvullend op de definities die in artikel 1 worden genoemd. Deze definitie geldt alleen voor de Jeugdwet.

 

Artikel 27. Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a van de Jeugd wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de Memorie van Toelichting op de wet komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

 

Het begrip “voorziening” is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de Memorie van Toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn oude(s) deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.

 

Artikel 28. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

In artikel 2.6, eerste lid, onder g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

 

Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouder(s).

 

Artikel 29. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.

 

Artikel 30. Criteria voor een individuele voorziening

In dit artikel is vermeld aan de hand van welke (afwegings)criteria een individuele voorziening wordt verstrekt. Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.3 van de Jeugdwet en in feite een nadere uitwerking van dit wetsartikel.

 

Artikel 31. Voorwaarden en weigeringsgrond voor een individuele voorziening.

In de rechtbankjurisprudentie is herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden in de verordening moeten worden opgenomen, wil de gemeente hier een beroep op kunnen doen. De voorwaarden en de weigeringsgrond voor het onderdeel Jeugdhulp zijn in dit artikel opgenomen.

 

Artikel 32. Regels voor pgb

In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. Voor dienstverlening door een jeugdhulpaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen (en werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) wordt de hoogte van een pgb vastgesteld op maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura. Voor een jeugdhulpaanbieder zijnde een solistisch werkende jeugdhulpverlener (zzp’er), die werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling, wordt de hoogte van het pgb bepaald op maximaal 82% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura omdat hier sprake is van lagere overheadkosten. Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door een persoon uit het sociale netwerk danwel een niet-professional op het gebied van jeugdhulp (zoals bedoeld onder sub a en b) wordt vastgesteld op maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura, met als maximum het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22, lid 2 van de Regeling langdurige zorg is vermeld.

 

Artikel 33. Inhoud beschikking

Voor ondersteuning, hulp en zorg op grond van de Jeugdwet kunnen geen eigen bijdragen worden opgelegd. Er kan wel sprake zijn van een ouderbijdrage in verband met de kosten van de aan een jeugdige geboden jeugdhulp, voor zover deze jeugdhulp verblijf buiten het gezin inhoudt, of in de kosten van verblijf in een justitiële jeugdinrichting van een jeugdige.

 

Artikel 34. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet. Ook de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot het pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouder(s) aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouder(s) redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

 

Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet. Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet op grond van het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet uitgebreid met de individuele voorziening in natura.

 

PARAGRAAF 4 OVERIGE BEPALINGEN, INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

 

Artikel 35. Evaluatie

Toegevoegd bij amendement Van der Grampel.

 

Artikel 36. Hardheidsclausule

Toegevoegd bij evaluatie Van der Grampel.

 

Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.