Anekdote over het ontstaan van de Dedemsvaart

In de N.O. hoek van Overijssel ligt een groot, uitgestrekt, moerassig heideveld, eenzaam en verlaten. Bruin, overal bruin is het bultige, bochtige oppervlak, zover het oog reikt, slechts hier en daar afgewisseld bij veenplas of moeras met enige verandering van kleur en plantengroei. Stil is het op de heide, waar geen weg of voetpad over loopt; woonplaats van klein wild en bij de plassen van karekiet en reiger en ander gevogelte, dat enig leven in de stilte brengt. Slechts de herder met zijn kudde brengt des zomers enige tekening in de eenzaamheid en de jager, die, belust op de wildrijkdom, in het najaar zijn weg naar de heide kiest. Als de winter het geheel met een smetteloos wit kleed overdekt en de zon haar gouden stralen schiet op die onbetreden vlakte, is het een schittering alsof duizenden kleine diamanten flonkerend haar stralen terugkaatsen; een schoonheid van buitengewone pracht, als waarin de schepping in schier hoorbare stilte een loflied opzendt tot hare Schepper! Verlaten ligt zij daar in heer maagdelijke schoonheid, als wachtend op de hand, die haar uit haar verlatenheid zal verlossen.

Die hand was al eens uitgestoken, jaren en jaren geleden, een gebeurtenis waarvan de omtrekken zijn vervaagd en slechts een flauwe herinnering is overgebleven. En wachtend ligt zij daar nu, totdat weer een welbewuste poging ondernomen wordt om aan de afzondering een einde te maken. Daar was alle reden voor, want die heide verborg in haar schoot een kostbare delfstof, het veen, de grondstof voor de turf, een brandstof waar behoefte aan was en die een rijke bron van inkomsten zou opleveren, terwijl na ontginning nog een waardevolle ondergrond zou overblijven.

't Was de heer Mr. Gerrit Willen van Marle, een der eigenaren van een grote uitgestrektheid dier venen, die einde der vorige eeuw, in 1791, die poging ondernam. Hier was voor de delving geen kostbare onderneming nodig, de venen lagen voor het afgraven en de nabewerking kon ter plaatse geschieden, alle reden dus om het werk aan te vatten, als - en dit was de moeilijkheid - als er maar een goede gelegenheid was om het dan verkregen produkt te vervoeren naar de plaats van bestemming. Daarvoor was nodig een scheepvaartgelegenheid, een kanaal, breed en diep genoeg voor de toenmalige schepen om het te bevaren, tevens om de plassen en moerassen op die venen te ontwateren.

Het kanaal, dat na ontginning der gronden weer dienst kon doen voor aan- en afvoer der produkten van langs die vaart gelegen landerijen, zou moeten uitlopen op het meest nabije grote vaarwater en dit was het Zwartewater. Met de regering van Hasselt werden onderhandelingen aangeknoopt omtrent doorvaart en bevaarbaar maken en houden der stadsgrachten; daarna werden besprekingen gevoerd met de eigenaren der Katinger- en Huizinger venen, maar …… verder kon de heer Van Marle het niet brengen door tegenwerking van de stad Zwolle, die, vrezende dat voordeel voor Hasselt haar belangen schaden zou, in samenwerking met Deventer en Kampen het plan wist te verijdelen. Zo bleef het plan der heren Van Marle steken, en lag dit nog zo, toen genoemde heer in 1799 overleed.

Het zal omstreeks die tijd geweest zijn, dat zich een jongeman op een wat trieste najaarsdag met zijn jachtgeweer gewapend, in jagerscostuum, naar de heide begaf om te trachten een veldhoen of enig ander wild te verschalken. In gedachten verdiept liep hij, zijn doel vergetend, al maar verder, zonder te bemerken, dat de mist, eerst dun, hoe langer hoe dichter werd, en hij zover was afgedwaald, dat hij niet meer wist waar hij zich op de grote stille heide bevond. Vermoeid en hongerig zette hij zich neer onder een groepje van drie berkenboompjes, het enigst geboomte dat hij in de omtrek ontwaren kon. Toen hij enige tijd daar zat begon de mist op te trekken en eerst schuchter, later helder, goot de maan haar zilveren schijnsel over de vlakte en schitterden duizenden sterren aan het firmament. Allengs begon zich nu in zijn brein een schone gedachte te ontwikkelen. Welk een grote, doodse vlakte was dit, maar welk een rijkdom lag daaronder verborgen! Wat een mensen zouden hier kunnen leven en een goed bestaan vinden! En opziend naar de maan en de sterren was het of hij, die een antwoord vroeg op zijn gedachten, of zij dan altijd wilden blijven neerzien op die grote troosteloze eenzaamheid. Dan zag hij als in een visioen dit veld veranderd, herschapen in een vruchtbaar landschap, waar het koren golfde en het vee in malse weiden graasde. En dan die grote vlakte doorsneden door een groot kanaal en kleinere daarop uitlopend, met een drukken scheepvaart, dat het gehele toneel verlevendigde. Wel een grote verandering zou daarvoor moeten plaats hebben, maar ….. het kon!

Deze gedachte liet hem niet meer los en daarover peinzend wandelde hij langs een hem bekend schapenpad, dat zich kronkelend over de heide slingerde, naar zijn ouderlijke woning, Huize den Berg bij Dalfsen, terug waar hij tegen middernacht aankwam, door ongeruste huisgenoten opgewacht. Zijn vader diende hem wel een kleine berisping toe, die echter aan hem voorbijging, zo namen de gedachte hem in beslag, die hem onder de berkenbomen ingegeven was en welke hij niet meer van zich af kon zetten.

Deze jongeling was de later zo bekende Mr. Willem Jan Baron van Dedem. Hij huwde te Zwolle op 12 december 1802 met Judith van Marle, dochter van Mr. Gerrit Willem van Marle en Catharina Wicherlink. Door dit huwelijk werd de heer Van Dedem mede-eigenaar van de grote complexen venen in deze omgeving en nam in 1803, daartoe mede gemachtigd door mevrouw de weduwe Van Marle en kinderen, de taak zijns schoonvaders weer op. Daartoe bezocht hij de veenderijen in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe, bezag daar de ontginningen, de toestanden die daarna waren ontstaan, de goede en verkeerde wijze van werken, om daar zijn voordeel mede te doen wanneer ook hij toe ontginning zou kunnen overgaan. Op behendige wijze wist hij de klip te omzeilen waarop het schil van zijn schoonvader was gestrand. Een openlijke aanvraag om vergunning voor het graven van een kanaal van Hasselt naar de venen zou hem dezelfde tegenwerking bezorgd hebben. Hij had echter één geluk. Koning Lodewijk, die destijds over Nederland regeerde, bezocht achtereenvolgens verschillende delen van ons land om dat te leren kennen. Zo in 1809 de noordelijke provincies. Hij bezag de verschillende ondernemingen, ook de veenderijen, zag de resultaten na de ontginning en was daardoor in staat zich een oordeel te vormen, toen de aanvraag hem bereikte om de venen in de n.o. hoek van Overijssel te ontginnen. In verschillende plaatsen verleende de koning audiëntie, onder andere te Kampen, Zwolle en Deventer. Van particuliere zijde werd de heer Van Dedem gevraagd of hij van deze gelegenheid geen gebruik zou maken Z.M. het verzoek om een kanaal te mogen graven voor te dragen. Hij begreep echter, dat deze vraag ten doel had er achter te komen of hij zijn plan aan de koning zou voorleggen. Hierover liet hij zich dus niet uit, wel wetend, dat dan tegenstand niet uitblijven zou. Doch toen de koning te Deventer aan enige particuliere heren, waaronder ook baron van Dedem als lid van het Departementale Hof van Justitie aldaar, nog gelegenheid gaf hem te spreken, kwam deze met zijn plan voor de dag en wist de koning, die de resultaten van ontginning der veenderijen van nabij had gezien, voor zijn plan te winnen, zonder dat buitenstaanders daar van wisten. Alleen Mr. Zacharias Tijl, secretaris van de Stad Hasselt, was als zijn medewerker hiermede bekend. In maart 1809 kwam het besluit af waarin toestemming werd gegeven voor het graven van een kanaal van Hasselt naar de venen in de noordoosthoek van Overijssel; de nog nodige voorbereidingen werden getroffen en op 9 juli van datzelfde jaar werd de eerste schop te Hasselt in de grond gestoken als begin van het graven van De Dedemsvaart!